ECLI:NL:HR:2009:BI0067

Hoge Raad

Datum uitspraak
26 juni 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
07/11610
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Uitleg van koopovereenkomst in civiele zaak tussen eiser en verweerder

In deze civiele zaak vordert verweerder betaling van een bedrag van €213.478 van eiser uit hoofde van een koopovereenkomst. Eiser betwist de vordering en stelt een voorwaardelijke reconventionele vordering in. De rechtbank wijst de vordering van verweerder toe en wijst de reconventionele vordering af. Het gerechtshof bekrachtigt dit vonnis in hoger beroep. Eiser stelt beroep in cassatie in, terwijl verweerder voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep instelt.

De Hoge Raad beoordeelt de klachten van eiser in cassatie en oordeelt dat deze niet leiden tot cassatie. Gezien artikel 81 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie is nadere motivering niet nodig omdat de klachten geen rechtsvragen van belang voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling opleveren. Het voorwaardelijk incidentele cassatieberoep van verweerder behoeft geen behandeling.

De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep van eiser en veroordeelt eiser in de kosten van het geding in cassatie. Hiermee blijft het arrest van het hof dat de vordering van verweerder toewijst en de reconventionele vordering van eiser afwijst, in stand.

Uitkomst: Het cassatieberoep van eiser wordt verworpen en het arrest van het hof blijft in stand.

Uitspraak

26 juni 2009
Eerste Kamer
07/11610
EV/TT
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[Eiser],
wonende te [woonplaats],
EISER tot cassatie, verweerder in het voorwaardelijk incidentele cassatieberoep,
advocaat: aanvankelijk mr. M.L. Durazzi-Sijes, thans mr. J.P. Heering.
t e g e n
[Verweerder],
wonende te [woonplaats],
VERWEERDER in cassatie, eiser in het voorwaardelijk incidentele cassatieberoep,
advocaat: aanvankelijk mr. E.D. Drok, hierna mr. R.G. Snouckaert van Schauberg, thans mr. J.J. Dekker.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [eiser] en [verweerder].
1. Het geding in feitelijke instanties
[Verweerder] heeft bij exploot van 12 december 2003 [eiser] gedagvaard voor de rechtbank 's-Gravenhage en gevorderd, kort gezegd, [eiser] te veroordelen om aan [verweerder] te betalen een bedrag van € 213.478,--, met rente en kosten.
[Eiser] heeft de vordering bestreden en een voorwaardelijke reconventionele vordering ingesteld.
De rechtbank heeft, na een comparitie van partijen te hebben gelast, bij vonnis van 26 januari 2005 in conventie de vordering van [verweerder] toegewezen en de reconventionele vordering van [eiser] afgewezen.
Tegen dit vonnis heeft [eiser] hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te 's-Gravenhage.
Bij arrest van 19 april 2007 heeft het hof het vonnis van de rechtbank bekrachtigd en de reconventionele vordering, voorzover in hoger beroep gewijzigd, afgewezen.
Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het arrest van het hof heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. [Verweerder] heeft voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep ingesteld. De cassatiedagvaarding en de conclusie van antwoord tevens houdende incidenteel cassatieberoep zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.
[Verweerder] heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep en [eiser] heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van [verweerder] in zijn incidenteel cassatieberoep.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.
De conclusie van de Advocaat-Generaal J.L.R.A. Huydecoper strekt tot verwerping van het principale beroep.
3. Beoordeling van het middel in het principale beroep
3.1 De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO Pro, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
3.2 Het incidentele beroep, dat is ingesteld onder de voorwaarde dat het middel in het principale beroep tot vernietiging van het arrest van het hof leidt, behoeft gelet op hetgeen hiervoor is overwogen geen behandeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
verwerpt het principale beroep;
veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerder] begroot op € 1.207,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren A. Hammerstein, als voorzitter, F.B. Bakels en W.D.H. Asser, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A. Hammerstein op 26 juni 2009.