ECLI:NL:HR:2009:BI0464

Hoge Raad

Datum uitspraak
12 juni 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
07/11570
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt toewijzing vordering achterstallig loon na hoger beroep

Verweerder heeft eiser gedagvaard voor betaling van een bruto bedrag van €86.218,24 en achterstallig loon van €24.303,55 over de periode van 1 oktober 2001 tot 15 februari 2002, met rente en kosten. Na verwijzing naar de kantonrechter wees deze de vorderingen af. Verweerder stelde hoger beroep in tegen tussenvonnissen en het eindvonnis, waarbij het hof het eindvonnis vernietigde en de vordering alsnog toewijst.

Eiser stelde vervolgens cassatieberoep in tegen het arrest van het hof. De Hoge Raad oordeelt dat de aangevoerde klachten niet tot cassatie kunnen leiden en wijst het beroep af zonder nadere motivering, omdat er geen rechtsvragen van belang voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling aan de orde zijn.

De Hoge Raad veroordeelt eiser in de kosten van het geding in cassatie. Hiermee wordt het arrest van het hof bekrachtigd en de vordering van verweerder tot betaling van achterstallig loon definitief toegewezen.

Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de toewijzing van de vordering tot betaling van achterstallig loon.

Uitspraak

12 juni 2009
Eerste Kamer
07/11570
RM/AS
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[Eiser],
wonende te [woonplaats],
EISER tot cassatie,
advocaat: mr. J.D. Boetje,
t e g e n
[Verweerder],
wonende te [woonplaats],
VERWEERDER in cassatie,
advocaat: mr. E. Grabandt.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [eiser] en [verweerder].
1. Het geding in feitelijke instanties
[Verweerder] heeft bij exploot van 21 februari 2002 [eiser] gedagvaard voor de rechtbank Amsterdam en gevorderd, kort gezegd, [eiser] te veroordelen om aan [verweerder] een bedrag van € 86.218,24 bruto te voldoen ingevolge de beschikking van de rechtbank Amsterdam van 15 januari 2002 alsmede een bedrag van € 24.303,55 bruto aan achterstallig loon vanaf 1 oktober 2001 tot 15 februari 2002, met rente en kosten.
Nadat de rechtbank de zaak bij rolbeslissing van 24 juli 2002 naar de kantonrechter te Amsterdam had verwezen, heeft [eiser] de vordering bestreden.
Na tussenvonnissen van 4 oktober 2002, 21 februari 2003, 6 juni 2003, 6 februari 2004 en verder processueel debat, heeft de kantonrechter bij eindvonnis van 21 januari 2005 de vorderingen van [verweerder] afgewezen.
Tegen de vonnissen van 21 februari 2003, 6 juni 2003, 6 februari 2004 en 21 januari 2005 heeft [verweerder] hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam.
Bij arrest van 10 mei 2007 heeft het hof [verweerder] niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep tegen de vonnissen van 21 februari 2003 en 6 juni 2003, het vonnis van 6 februari 2004 bekrachtigd, het vonnis van 21 januari 2005 vernietigd en, opnieuw rechtdoende, de vordering van [verweerder] alsnog toegewezen.
Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het arrest van het hof heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
[Verweerder] heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.
De conclusie van de Advocaat-Generaal L. Timmerman strekt tot verwerping van het beroep.
3. Beoordeling van het middel
De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO Pro, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerder] begroot op € 1.207,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren O. de Savornin Lohman, als voorzitter, F.B. Bakels en W.D.H. Asser, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer E.J. Numann op 12 juni 2009.