ECLI:NL:HR:2009:BI1371
Hoge Raad
- Cassatie
- F.H. Koster
- J.P. Balkema
- B.C. de Savornin Lohman
- Rechtspraak.nl
Vermindering gevangenisstraf wegens overschrijding redelijke termijn na poging moord in Breda
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch over een poging moord gepleegd op 7 juni 2006 te Breda. Verdachte vuurde met voorbedachten rade meerdere kogels af op het slachtoffer, waarbij het misdrijf niet is voltooid. Het bewijs omvatte verklaringen van het slachtoffer, politieprocessen-verbaal, een fotoconfrontatie, en forensisch DNA-onderzoek dat het DNA van verdachte op een patroon in het wapen aantoonde.
De verdediging voerde onder meer de zogenaamde besmettingstheorie aan, stellende dat het DNA op het patroon mogelijk door manipulatie in het wapen terecht was gekomen. Het Hof verwierp deze theorie en achtte de verklaringen van het slachtoffer betrouwbaar, ondanks diens psychiatrisch verleden en omstandigheden rond het incident.
De Hoge Raad oordeelde dat het Hof zijn oordeel voldoende had gemotiveerd en dat art. 359, tweede lid, Sv geen nadere motivering vereiste. Wel werd vastgesteld dat de redelijke termijn voor de behandeling van het cassatieberoep was overschreden, hetgeen leidde tot vermindering van de straf van zes jaar naar vijf jaar en acht maanden gevangenisstraf. Het beroep werd voor het overige verworpen.
Uitkomst: De gevangenisstraf werd verminderd tot vijf jaar en acht maanden wegens overschrijding van de redelijke termijn.