ECLI:NL:HR:2009:BI3450
Hoge Raad
- Cassatie
- D.H. Beukenhorst
- A.M.J. van Buchem-Spapens
- A. Hammerstein
- W.A.M. van Schendel
- F.B. Bakels
- Rechtspraak.nl
Verenigbaarheid van vliegbelasting met het Burgerluchtvaartverdrag van Chicago
BARIN vorderde in kort geding dat de Staat de heffing van de vliegbelasting zou opschorten totdat in een bodemprocedure was vastgesteld dat deze niet in strijd was met artikel 15 van Pro het Burgerluchtvaartverdrag van Chicago. De voorzieningenrechter wees de vordering af, en het gerechtshof bekrachtigde dit oordeel. BARIN stelde vervolgens beroep in cassatie in tegen het arrest van het hof.
De vliegbelasting, ingevoerd per 1 juli 2008, is een regulerende verbruiksbelasting die wordt geheven over het aantal passagiers dat vertrekt vanaf een Nederlandse luchthaven, met als doel de maatschappelijke kosten van luchtvervoer zichtbaar te maken. BARIN betoogde dat deze belasting in strijd was met het verbod in artikel 15 slot Pro van het verdrag, dat heffingen op het recht van transit, in- of uitreis van luchtvaartuigen verbiedt.
De Hoge Raad bevestigde dat het hof terecht had geoordeeld dat het verbod in artikel 15 van Pro het verdrag alleen ziet op heffingen waarvoor een tegenprestatie wordt geleverd. De vliegbelasting is een regulerende belasting zonder tegenprestatie en valt daarom niet onder het verbod. De tekst en strekking van het verdrag, mede bezien in het licht van het Weense verdragenrecht, ondersteunen deze uitleg. Het cassatieberoep werd verworpen en BARIN werd veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: Het cassatieberoep van BARIN wordt verworpen en de vliegbelasting is niet onmiskenbaar in strijd met artikel 15 van het Burgerluchtvaartverdrag van Chicago.