ECLI:NL:HR:2009:BI4686
Hoge Raad
- Cassatie
- F.H. Koster
- B.C. de Savornin Lohman
- M.A. Loth
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid in cassatie wegens niet tijdig indienen middelen door raadsman
Betrokkene had beroep in cassatie ingesteld tegen een uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam inzake ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. Volgens de wettelijke voorschriften dienen middelen van cassatie binnen een bepaalde termijn door een raadsman te worden ingediend. In deze zaak zijn geen middelen van cassatie tijdig ingediend door de raadsman van betrokkene.
De Advocaat-Generaal concludeerde dat betrokkene daarom niet-ontvankelijk verklaard moest worden in het beroep. De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en stelde vast dat het voorschrift van artikel 437, tweede lid, juncto artikel 511h van het Wetboek van Strafvordering niet was nageleefd.
Daarom kon betrokkene niet in het beroep worden ontvangen en werd het beroep niet-ontvankelijk verklaard. Dit arrest werd gewezen door de vice-president en raadsheren van de Hoge Raad op 7 juli 2009.
Uitkomst: Betrokkene is niet-ontvankelijk verklaard in het cassatieberoep wegens niet tijdig indienen van middelen door een raadsman.