ECLI:NL:HR:2009:BI6718
Hoge Raad
- Cassatie
- F.H. Koster
- B.C. de Savornin Lohman
- M.A. Loth
- Rechtspraak.nl
Beoordeling verkennend onderzoek en redelijke termijn in strafzaak tegen verdachte restaurant
In deze strafzaak stond centraal of het door de politie verrichte inventariserend onderzoek naar het restaurant [A] te [plaats] kwalificeerde als een verkennend onderzoek in de zin van artikel 126gg Wetboek van Strafvordering. De verdediging stelde dat dit onderzoek zonder het vereiste bevel van de officier van justitie was uitgevoerd, wat een vormverzuim opleverde dat tot strafvermindering zou moeten leiden.
Het hof oordeelde dat het onderzoek niet viel onder de definitie van een verkennend onderzoek zoals bedoeld in artikel 126gg Sv, omdat het vooral bestond uit het inventariseren van beschikbare informatie bij politie en andere instanties en niet uit het gebruik van opsporingsbevoegdheden. De Hoge Raad bevestigde dit oordeel als juist en niet onbegrijpelijk, mede gelet op de tekst en de totstandkomingsgeschiedenis van artikel 126gg Sv.
Daarnaast stelde de Hoge Raad vast dat de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro was overschreden, aangezien meer dan twee jaar waren verstreken sinds het instellen van het cassatieberoep. Dit leidde tot een vermindering van de opgelegde geldboete van € 12.500,- naar € 11.875,-. Het cassatieberoep werd voor het overige verworpen.
De uitspraak benadrukt het onderscheid tussen verkennend onderzoek en opsporingsonderzoek, waarbij het eerste voorafgaat aan het laatste en geen gebruik maakt van opsporingsbevoegdheden. Tevens onderstreept het belang van de redelijke termijn in strafzaken en de gevolgen van overschrijding daarvan.
Uitkomst: De geldboete werd verminderd wegens overschrijding van de redelijke termijn, het verweer omtrent verkennend onderzoek werd verworpen.