ECLI:NL:HR:2009:BI8517

Hoge Raad

Datum uitspraak
25 september 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
08/03552
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 700 lid 1 RvArt. 700 lid 2 RvArt. 705 RvArt. 720 RvArt. 599 Rv Aruba
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Geen uitzondering op rechtsmiddelenverbod bij conservatoir beslag ondanks hoorzitting schuldenaar

In deze zaak verzochten de curatoren in het faillissement van Ceteco N.V. de voorzieningenrechter om conservatoir beslag te leggen ter verzekering van een vordering van €190.000.000,--. Hagemeyer, de verzoeker tot cassatie, bestreed dit verzoek. De rechtbank wees het verzoek toe, waarna Hagemeyer hoger beroep instelde. Het gerechtshof verklaarde het hoger beroep niet-ontvankelijk. Tegen deze beslissing stelde Hagemeyer cassatieberoep in.

De Hoge Raad moest beoordelen of het rechtsmiddelenverbod van artikel 700 lid 2 Rv Pro., dat hoger beroep tegen verleend beslagverlof uitsluit, een uitzondering kent wanneer de schuldenaar reeds is gehoord over het beslagverzoek. De Hoge Raad overwoog dat dit verbod inmiddels is gecodificeerd en dat de wetgever geen uitzondering heeft willen maken, mede gelet op de waarborgen die artikel 705 Rv Pro. biedt om tegen het beslag op te komen.

De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde dat het rechtsmiddelenverbod ook geldt indien de schuldenaar is gehoord. Hagemeyer werd veroordeeld in de proceskosten. De uitspraak benadrukt het belang van rechtszekerheid en de afweging dat de geldigheid van het beslagverlof niet afhankelijk moet zijn van een hogere voorziening.

Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt het rechtsmiddelenverbod van art. 700 lid 2 Rv. en wijst het cassatieberoep af.

Uitspraak

25 september 2009
Eerste Kamer
08/03552
EV/EE
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
in de zaak van:
HAGEMEYER N.V.,
gevestigd te Amsterdam,
VERZOEKSTER tot cassatie,
advocaat: mr. K.G.W. van Oven,
t e g e n
1. Wilhelmus Marinus Joseph BEKKERS,
kantoorhoudend te Utrecht,
2. Gerhard Hendrik GISPEN,
kantoorhoudend te Amsterdam,
in hun hoedanigheid van curatoren in het faillissement van Ceteco N.V.,
VERWEERDERS in cassatie,
advocaat: mr. E. van Staden ten Brink.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als Hagemeyer en de curatoren.
1. Het geding in feitelijke instanties
Met een op 27 december 2007 ter griffie van de rechtbank Amsterdam ingediend verzoekschrift hebben de curatoren zich gewend tot de voorzieningenrechter en verzocht, kort gezegd, hun vordering met inbegrip van rente en kosten voorlopig te begroten op een bedrag van € 190.000.000,-- en de curatoren te vergunnen om ter verzekering van verhaal van hun op dat bedrag begrote vordering conservatoir beslag te doen leggen op de aandelen in het kapitaal van de in 2.1 onder a tot en met i van het verzoekschrift in eerste aanleg genoemde vennootschappen, alsmede conservatoir beslag te leggen onder genoemde vennootschappen, met uitvoerbaarverklaring van de door de voorzieningenrechter gegeven beschikking op de minuut en op alle dagen en uren.
Hagemeyer heeft het verzoek bestreden.
De rechtbank heeft bij beschikking van 7 februari 2008 het verzoek toegewezen onder vaststelling van het bedrag waarvoor het verlof wordt verleend op € 190.000.000,--.
Tegen deze beschikking heeft Hagemeyer hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam.
Na een mondelinge behandeling heeft het hof bij beschikking van 22 mei 2008 Hagemeyer niet-ontvankelijk verklaard in haar hoger beroep.
De beschikking van het hof is aan deze beschikking gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen de beschikking van het hof heeft Hagemeyer beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
De curatoren hebben verzocht het beroep te verwerpen.
De conclusie van de Advocaat-Generaal E.M. Wesseling-van Gent strekt tot verwerping.
Mr. M.M. Stolp, advocaat te Amsterdam, heeft bij brief van 26 juni 2009 namens Hagemeyer op die conclusie gereageerd.
3. Beoordeling van het middel
3.1 In deze zaak dient te worden beoordeeld of het hof terecht heeft geoordeeld - zakelijk weergegeven - dat de omstandigheid dat de schuldenaar ter zake van het verzoek tot het verlenen van beslagverlof als bedoeld in art. 700 lid 1 Rv Pro. reeds is gehoord, geen goede grond is om af te wijken van art. 700 lid 2 Rv Pro., voor zover dit bepaalt dat tegen een krachtens dit lid gegeven verlof geen hogere voorziening is toegelaten.
3.2 Het hiertegen gerichte middel steunt met name op de beschikking van de Hoge Raad van 15 februari 2002, nr. R00/142, LJN AD4004, NJ 2002, 197. In deze beschikking is als volgt overwogen:
"Het inleidende verzoek van S. berust op art. 599 Rv Pro. van Aruba. Uit het stelsel van de wet vloeit voort dat voor de schuldenaar ten laste van wie het beslagverlof is verleend, in beginsel tegen de desbetreffende beschikking geen hoger beroep openstaat. In art. 602 Rv Pro. Aruba is immers voorzien dat de schuldenaar bij de bevoegde rechter een eis tot opheffing van het beslag kan indienen. De eis tot opheffing van een beslag is echter, mede gelet op de eisen van een behoorlijke rechtspleging, niet een passende voorziening wanneer de schuldenaar ter zake van het verzoek tot het verlenen van het beslagverlof reeds is gehoord en de gelegenheid heeft gehad zijn bezwaren tegen het verlenen van het verlof naar voren te brengen. In een dergelijk geval, waarin sprake is van een in een op tegenspraak gegeven beschikking, is er geen reden om een uitzondering te maken op de hoofdregel van art. 260 in Pro verbinding met art. 270 Rv Pro. Aruba dat van beschikkingen hoger beroep openstaat. Voor de mogelijkheid van cassatieberoep tegen de in hoger beroep gegeven beschikking geldt hetzelfde, zoals het hof in het onderhavige geval klaarblijkelijk ook heeft geoordeeld. Het hof heeft zijn beschikking immers uitvoerbaar bij voorraad verklaard."
3.3 Zoals reeds uit dit citaat volgt, is de beschikking van 2002 gewezen onder het toentertijd geldende Arubaanse procesrecht. De wet bevatte toen - anders dan thans zowel in Nederland als in de Nederlandse Antillen en in Aruba het geval is - geen rechtsmiddelenverbod voor het geval het beslagverlof werd verleend. Onder die omstandigheden werd in de beschikking, op de daarin vermelde gronden, een uitzondering aanvaard op de in HR 26 juni 1970, NJ 1972, 454, besloten regel dat met het bestaan van de wettelijke mogelijkheid om in kort geding opheffing te vorderen van een conservatoir beslag, niet is te rijmen dat degene tegen wie het beslag is gelegd, zijn grieven tegen het beslag tevens geldend zou kunnen maken door van het verlof in hoger beroep te komen bij het gerechtshof.
3.4 Het door de Hoge Raad in zijn beschikking van 1970 uit de wettelijke regeling van het conservatoire beslag en de aard van de verlofbeschikking afgeleide rechtsmiddelenverbod is inmiddels gecodificeerd in het voornoemde art. 700 lid 2 Rv Pro. De tekst van deze bepaling bevat geen uitzondering voor het door het middel bedoelde geval. Mede in het licht van
(a) de omstandigheid dat art. 705 Rv Pro. een met voldoende waarborgen omklede rechtsgang biedt om tegen het beslag op te komen,
(b) de omstandigheid dat het uit een oogpunt van rechtszekerheid niet wenselijk is de geldigheid van het verlof, waarop moet kunnen worden voortgebouwd, afhankelijk te laten zijn van een hogere voorziening (vgl. Parl. Gesch. Wijziging Rv. e.a.w. (Inv. 3, 5 en 6), blz. 67), en ten slotte
(c) art. 720 Rv Pro., waarin - zij het in ander verband - uitdrukkelijk het geval is vermeld dat de schuldenaar is gehoord, of in de gelegenheid is gesteld te worden gehoord, voordat verlof tot het leggen van beslag wordt verleend, zodat niet kan worden aangenomen dat dit geval in de context van art. 700 lid 2 Rv Pro. aan de aandacht van de wetgever is ontsnapt, moet daarom worden geoordeeld dat de wetgever geen uitzondering op het rechtsmiddelenverbod van art. 700 lid 2 Rv Pro. heeft willen maken voor het geval de schuldenaar ter zake van het verzoek tot het verlenen van beslagverlof als bedoeld in art. 700 lid 1 Rv Pro. reeds is gehoord.
3.5 Het middel, dat - terecht - niet aanvoert dat in het onderhavige geval aanleiding bestaat tot doorbreking van dit rechtsmiddelenverbod, faalt dus.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt Hagemeyer in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van curatoren begroot op € 348,38 aan verschotten en € 1.800,-- voor salaris.
Deze beschikking is gegeven door de vice-president D.H. Beukenhorst als voorzitter en de raadsheren A. Hammerstein, W.A.M. van Schendel, F.B. Bakels en C.A. Streefkerk, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer E.J. Numann op 25 september 2009.