ECLI:NL:HR:2009:BJ1755

Hoge Raad

Datum uitspraak
7 juli 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
09/00640 H
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Herziening
Rechters
  • F.H. Koster
  • B.C. de Savornin Lohman
  • J.W. Ilsink
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 OpiumwetArt. 457 SvArt. 467 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Herziening wegens persoonsverwisseling in opiumwetzaak

De zaak betreft een herzieningsverzoek tegen een vonnis van de politierechter te Haarlem van 19 maart 2008, waarbij de aanvrager werd veroordeeld tot acht maanden gevangenisstraf wegens opzettelijk handelen in strijd met artikel 2, onder B, van de Opiumwet. De aanvrager stelde dat sprake was van een persoonsverwisseling, hetgeen een omstandigheid is die herziening rechtvaardigt volgens artikel 457, eerste lid, onder 2°, Sv.

De Advocaat-Generaal concludeerde dat de herzieningsaanvraag gegrond moest worden verklaard en dat de tenuitvoerlegging van het vonnis, voor zover nodig, geschorst moest worden. De Hoge Raad volgde deze conclusie en verklaarde de aanvraag gegrond. Tevens werd de zaak verwezen naar het Gerechtshof te Amsterdam voor een nieuwe behandeling en beslissing conform artikel 467, eerste lid, Sv.

De Hoge Raad wees het arrest op 7 juli 2009 en bestond uit vice-president F.H. Koster als voorzitter en raadsheren B.C. de Savornin Lohman en J.W. Ilsink. De herziening is gebaseerd op de vaststelling dat de oorspronkelijke veroordeling berustte op een persoonsverwisseling, waardoor het vonnis niet gehandhaafd kon blijven.

Uitkomst: De Hoge Raad verklaart de herzieningsaanvraag gegrond en verwijst de zaak naar het gerechtshof voor hernieuwde behandeling.

Uitspraak

7 juli 2009
Strafkamer
nr. 09/00640 H
SM
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op een aanvrage tot herziening van een in kracht van gewijsde gegaan vonnis van de Politierechter in de Rechtbank te Haarlem van 19 maart 2008, nummer 15/666903-07, ingediend door mr. G.W. van der Zee, advocaat te Groningen, namens:
[Aanvrager], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1978, wonende te [woonplaats].
1. De uitspraak waarvan herziening is gevraagd
De Politierechter heeft de aanvrager ter zake van "opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd" veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van acht maanden.
2. De aanvrage tot herziening
2.1. De aanvrage tot herziening is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
2.2. De aanvrage berust op de stelling dat sprake is van een omstandigheid als bedoeld in art. 457, eerste lid aanhef en onder 2°, Sv. De aanvrager voert daartoe aan dat - kort gezegd - sprake is geweest van een persoonsverwisseling.
3. De conclusie van de Advocaat-Generaal
De Advocaat-Generaal Machielse heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad de aanvrage gegrond zal verklaren, voor zover nodig de opschorting of schorsing van de tenuitvoerlegging van de in de aanvrage vermelde uitspraak zal bevelen en de zaak zal verwijzen naar het Gerechtshof te Amsterdam, opdat de zaak zal worden behandeld en afgedaan op de wijze als in art. 467, eerste lid, Sv is voorzien.
4. Beoordeling van de aanvrage
Op de door de Advocaat-Generaal in zijn conclusie onder 3 en 4 genoemde gronden moet de door de aanvrager gestelde omstandigheid worden aangemerkt als een omstandigheid als bedoeld in art. 457, eerste lid aanhef en onder 2°, Sv. De aanvrage is dus gegrond.
5. Beslissing
De Hoge Raad:
verklaart de aanvrage tot herziening gegrond;
beveelt voor zover nodig de opschorting of schorsing van de tenuitvoerlegging van voormeld vonnis van de Politierechter in de Rechtbank te Haarlem van 19 maart 2008;
verwijst de zaak naar het Gerechtshof te Amsterdam, opdat de zaak op de voet van art. 467, eerste lid, Sv opnieuw zal worden behandeld en afgedaan.
Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren B.C. de Savornin Lohman en J.W. Ilsink, in bijzijn van de waarnemend griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken op 7 juli 2009.