ECLI:NL:HR:2009:BJ2673

Hoge Raad

Datum uitspraak
2 oktober 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
09/00531
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 ROArt. 810 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevoegdheid rechter bij verzoek omgangsregeling door gedetineerde vader

De vader, gedetineerd en woonachtig te een woonplaats, verzocht bij de rechtbank Rotterdam om vaststelling van een omgangsregeling met zijn minderjarige kinderen. De moeder, eveneens woonachtig te een woonplaats, verscheen niet en diende geen verweerschrift in. De rechtbank vroeg de Raad voor de Kinderbescherming om een rapport over de omgangsmogelijkheden. Op basis daarvan wees de rechtbank het verzoek af.

De vader ging in hoger beroep bij het gerechtshof te 's-Gravenhage, dat de afwijzing bevestigde. Vervolgens stelde de vader beroep in cassatie in tegen deze beschikking. De moeder bleef afwezig en diende geen verweerschrift in. De Procureur-Generaal adviseerde het cassatieberoep te verwerpen op grond van art. 81 RO Pro.

De Hoge Raad oordeelde dat de klachten van de vader niet tot cassatie konden leiden en dat nadere motivering niet nodig was omdat geen rechtsvragen van belang voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling aan de orde waren. De Hoge Raad bevestigde daarmee de bevoegdheid van de rechter ex art. 810 Rv Pro ook als de moeder niet verschijnt om de Raad voor de Kinderbescherming om advies te verzoeken. Het beroep werd verworpen.

Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde de bevoegdheid van de rechter ex art. 810 Rv.

Uitspraak

2 oktober 2009
Eerste kamer
09/00531
RM/MD
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
in de zaak van:
[De vader],
wonende te [woonplaats],
VERZOEKER tot cassatie,
advocaat: mr. P. Garretsen,
t e g e n
[De moeder],
wonende te [woonplaats],
VERWEERSTER in cassatie,
niet verschenen.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als de vader en de moeder.
1. Het geding in feitelijke instanties
Bij verzoekschrift, gedateerd 7 september 2005, heeft de vader zich gewend tot de rechtbank Rotterdam en verzocht, kort gezegd, tussen hem en zijn minderjarige kinderen, [de kinderen], een omgangsregeling vast te stellen.
De moeder heeft geen verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft bij tussenbeschikking van 15 februari 2006 de Raad voor de Kinderbescherming verzocht een onderzoek in te stellen naar de mogelijkheden van omgang van de vader met de minderjarigen. Nadat de Raad voor de Kinderbescherming een rapport had uitgebracht, heeft de rechtbank bij eindbeschikking van 24 mei 2007 het verzoek tot vaststelling van een omgangsregeling afgewezen.
Tegen deze beschikking heeft de vader hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te 's-Gravenhage.
Bij beschikking van 5 november 2008 heeft het hof de bestreden beschikking bekrachtigd en het in hoger beroep meer of anders verzochte afgewezen.
De beschikking van het hof is aan deze beschikking gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen de beschikking van het hof heeft de vader beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
De moeder heeft geen verweerschrift ingediend.
De conclusie van de plaatsvervangend Procureur-Generaal strekt tot verwerping van het beroep met toepassing van art. 81 RO Pro.
3. Beoordeling van het middel
De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO Pro, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Deze beschikking is gegeven door de raadsheren A. Hammerstein, als voorzitter, F.B. Bakels en W.D.H. Asser, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer F.B. Bakels op 2 oktober 2009.