ECLI:NL:HR:2009:BJ5403

Hoge Raad

Datum uitspraak
11 september 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
08/02582
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verdeling van opgebouwde pensioenrechten tussen echtgenoten

De vrouw heeft de man gedagvaard met de vordering dat hij een tijdsevenredig deel van zijn opgebouwde pensioenrechten aan haar zou afdragen. De rechtbank wees deze vordering af, wat door het gerechtshof werd bekrachtigd. De vrouw stelde vervolgens beroep in cassatie in tegen het arrest van het hof.

De Hoge Raad heeft het cassatieberoep van de vrouw verworpen. De klachten die de vrouw in cassatie aanvoerde, konden niet leiden tot vernietiging van het arrest. De Hoge Raad vond geen aanleiding tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of rechtsontwikkeling.

De vrouw werd veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie, welke aan de zijde van de man op nihil werden begroot. Hiermee is het oordeel van het hof definitief bevestigd en blijft de afwijzing van de vordering tot pensioenverdeling in stand.

Uitkomst: Het cassatieberoep van de vrouw wordt verworpen en haar vordering tot pensioenverdeling afgewezen.

Uitspraak

11 september 2009
Eerste Kamer
08/02582
EV/MD
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[De vrouw],
wonende te [woonplaats],
EISERES tot cassatie,
advocaat: mr. P. Garretsen,
t e g e n
[De man],
wonende te [woonplaats],
VERWEERDER in cassatie,
niet verschenen.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als de vrouw en de man.
1. Het geding in feitelijke instanties
De vrouw heeft bij exploot van 7 juli 1997 de man gedagvaard voor de rechtbank 's-Gravenhage en gevorderd, kort gezegd, te verklaren voor recht dat de man is gehouden tegen behoorlijk bewijs van kwijting een tijdsevenredig deel van de door de man opgebouwde pensioenrechten aan de vrouw af te dragen.
De man heeft de vordering bestreden.
De rechtbank heeft, na een comparitie van partijen te hebben gelast, bij vonnis van 24 december 2003 de vordering afgewezen.
Tegen dit vonnis heeft de vrouw hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te 's-Gravenhage en haar eis vermeerderd.
Bij arrest van 30 januari 2008 heeft het hof het vonnis van de rechtbank bekrachtigd.
Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het arrest van het hof heeft de vrouw beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Tegen de man is verstek verleend.
De zaak is voor de vrouw toegelicht door haar advocaat.
De conclusie van de plaatsvervangend Procureur-Generaal strekt tot verwerping van het beroep met toepassing van art. 81 RO Pro.
De advocaat van de vrouw heeft op 12 juni 2009 schriftelijk op die conclusie gereageerd.
3. Beoordeling van de middelen
De in de middelen aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO Pro, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt de vrouw in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van de man begroot op nihil.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren A. Hammerstein, als voorzitter, F.B. Bakels en W.D.H. Asser, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer E.J. Numann op 11 september 2009.