ECLI:NL:HR:2009:BJ6927

Hoge Raad

Datum uitspraak
10 november 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
08/00534
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • A.J.A. van Dorst
  • J.W. Ilsink
  • W.M.E. Thomassen
  • H.A.G. Splinter-van Kan
  • C.H.W.M. Sterk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 34 WAMArt. 30 WAM
Verwijzingen
6 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging strafoplegging voor overtreding verzekeringsplicht motorrijtuig met inachtneming verkeersveiligheid

De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage waarin de verdachte werd veroordeeld voor het niet verzekeren van haar motorrijtuig gedurende een bepaalde periode en het niet aantonen van die verzekering aan een bevoegde ambtenaar. Het hof legde een onvoorwaardelijke taakstraf op, gecombineerd met een geheel voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid.

De Hoge Raad beoordeelde of het hof het belang van de verkeersveiligheid terecht had betrokken bij de strafmotivering. Volgens artikel 34, derde lid, in verbinding met artikel 30, zesde lid, van de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen (WAM) is het wettelijk kader zodanig dat de wetgever de verkeersveiligheid als relevant heeft aangemerkt bij overtreding van de verzekeringsplicht.

De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde dat het hof de straf passend en geboden heeft gemotiveerd, waarbij het belang van de verkeersveiligheid terecht is meegewogen. De eerdere veroordelingen van de verdachte en haar nalatigheid werden ook in de strafoplegging betrokken.

Het arrest werd gewezen door de strafkamer van de Hoge Raad op 10 november 2009, waarbij de vice-president en vier raadsheren het arrest ondertekenden.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het arrest van het hof bevestigd met een taakstraf en voorwaardelijke ontzegging rijbevoegdheid wegens overtreding verzekeringsplicht.

Uitspraak

10 november 2009
Strafkamer
nr. 08/00534
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 1 februari 2008, nummer 22/003831-07, in de strafzaak tegen:
[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1981, ten tijde van de betekening van de aanzegging uit anderen hoofde gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting "Breda, locatie Penitentiaire Inrichting voor Vrouwen" te Breda.
1. Geding in cassatie
1.1. Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. J.C. Oudijk, advocaat te Venlo, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Jörg heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
1.2. De raadsman heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.
2. Beoordeling van het middel
2.1. Het middel behelst de klacht dat de strafmotivering niet zonder meer begrijpelijk is.
2.2. Het Hof heeft ter motivering van de strafoplegging het volgende overwogen:
"Het hof heeft de op te leggen straf en bijkomende straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.
Blijkens een haar betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 14 november 2007, is de verdachte reeds eerder veroordeeld voor het plegen van soortgelijke strafbare feiten. Dat heeft haar er kennelijk niet van weerhouden het onderhavige feit te plegen.
Daarbij is in het bijzonder het navolgende in aanmerking genomen. De verdachte heeft gedurende het tijdvak 6 januari 2006 tot en met 2 juli 2006 de verplichting gehad haar motorrijtuig te verzekeren. Door haar motorrijtuig niet te verzekeren heeft verdachte de verkeersveiligheid in gevaar gebracht. Tevens heeft zij nagelaten om aan een daartoe bevoegde ambtenaar schriftelijk aan te tonen dat het motorrijtuig wel was verzekerd.
Het hof is dan ook van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke werkstraf in de vorm van een taakstraf van na te melden duur, gecombineerd met een geheel voorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen passend en geboden is."
2.3. Art. 34, derde lid, in verbinding met art. 30, zesde lid, Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen (hierna: WAM) houdt in dat bij veroordeling van degene die niet aan de in art. 34, eerste lid, WAM bedoelde vordering tot het aantonen dat aan de verzekeringsplicht is voldaan, hem de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor ten hoogste een jaar kan worden ontzegd. Deze bepaling duidt erop dat de wetgever bij overtreding van art. 34, eerste lid, WAM de veiligheid van het verkeer betrokken acht. Het Hof heeft in zijn strafmotivering dus terecht het belang van de verkeersveiligheid in aanmerking genomen (vgl. HR 24 november 1987, LJN AD0076, NJ 1989, 84).
2.4. Het middel is tevergeefs voorgesteld.
3. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren J.W. Ilsink, W.M.E. Thomassen, H.A.G. Splinter-van Kan en C.H.W.M. Sterk, in bijzijn van de waarnemend griffier L.J.J. Okker-Braber, en uitgesproken op 10 november 2009.