ECLI:NL:HR:2009:BJ8725

Hoge Raad

Datum uitspraak
27 november 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
08/01189
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 150 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bewijslastverdeling bij huurgeschil over betaling en ontbinding huurovereenkomst

In deze zaak staat centraal of de huurder de huur over een aantal maanden niet heeft betaald, zoals de verhuurder stelt, of dat de huurder dit juist wel heeft voldaan. De rechtbank Maastricht ontbond de huurovereenkomst wegens wanprestatie en veroordeelde de huurder tot betaling van achterstallige huur en een dwangsom voor het niet ontruimen van het gehuurde.

De huurder stelde zich in verzet en betwistte de betalingsachterstand. De kantonrechter gaf de huurder de bewijslast om aan te tonen dat de verhuurder stelselmatig weigerde kwitanties af te geven en dat de huur wel was betaald. De huurder slaagde hier niet in, waarna het verstekvonnis werd bekrachtigd. Het hof verwierp het hoger beroep van de huurder en bevestigde dat de bewijslast voor het betalen van de huur bij de huurder ligt.

De Hoge Raad oordeelt dat de bewijslastverdeling juist is toegepast. De vordering tot betaling berust op de verbintenis tot huurbetaling, niet op wanprestatie. Het verweer van de huurder dat hij de huur heeft voldaan is een bevrijdend verweer waarvoor hij de bewijslast draagt volgens artikel 150 Rv Pro. Dit geldt ook bij de ontbinding wegens wanprestatie die alleen bestond uit het niet betalen van huur.

Het beroep van de huurder wordt verworpen en hij wordt veroordeeld in de kosten van het cassatiegeding.

Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt dat de huurder de bewijslast draagt voor het bevrijdend verweer dat hij de huur heeft betaald.

Uitspraak

27 november 2009
Eerste Kamer
08/01189
EE/IS
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[Eiser],
wonende te [woonplaats],
EISER tot cassatie,
advocaat: aanvankelijk mr. E.G. van de Pol, thans mr. E. Grabandt,
t e g e n
[Verweerder],
wonende te [woonplaats],
VERWEERDER in cassatie,
niet verschenen.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [eiser] en [verweerder].
1. Het geding in feitelijke instanties
Bij verstekvonnis van de rechtbank Maastricht van 6 juli 2005 is de huurovereenkomst tussen [verweerder] en [eiser] ontbonden, met veroordeling van [eiser] tot ontruiming van het gehuurde appartement, tot betaling van een bedrag van € 2.800,14 en tot betaling van € 450,-- voor elke maand vanaf 31 mei 2005 dat [eiser] het appartement niet geheel ontruimd heeft. [Eiser] heeft bij exploot van 30 september 2005 [verweerder] gedagvaard voor de rechtbank Maastricht en gevorderd, kort gezegd het verstekvonnis van 6 juli 2005 te vernietigen voor wat betreft de veroordeling tot betaling van € 2.800,14 en € 450,-- voor elke maand vanaf 31 mei 2005 dat [eiser] het appartement niet geheel ontruimd heeft en opnieuw rechtdoende [verweerder] alsnog niet-ontvankelijk in zijn vordering te verklaren.
[Verweerder] heeft de vordering bestreden.
De rechtbank heeft bij eindvonnis van 1 maart 2006 [eiser] tot kwaad opposant verklaard en het verstekvonnis van 6 juli 2005 bekrachtigd.
Tegen dit vonnis heeft [eiser] hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch.
Bij arrest van 20 november 2007 heeft het hof de vonnissen van de rechtbank bekrachtigd.
Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het arrest van het hof heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Tegen [verweerder] is verstek verleend.
De zaak is voor [eiser] toegelicht door zijn advocaat.
De conclusie van de Advocaat-Generaal J.L.R.A. Huydecoper strekt tot verwerping.
De advocaat van [eiser] heeft bij brief van 8 oktober 2009 op die conclusie gereageerd.
3. Beoordeling van het principale en het incidentele middel
3.1 In deze zaak gaat het om de vraag of [eiser], die een woning van [verweerder] huurde, heeft nagelaten de huurprijs over december 2004 (restant) en over de maanden januari tot en met mei 2005 aan [verweerder] te betalen, zoals [verweerder] stelt maar [eiser] bestrijdt. In cassatie is uitsluitend de bewijslastverdeling met betrekking tot dat geschilpunt aan de orde.
3.2 Op vordering van [verweerder] heeft de kantonrechter bij het hiervoor in 1 vermelde verstekvonnis de huurovereenkomst ontbonden en [eiser] veroordeeld tot betaling van € 2.800,-- aan achterstallige huur. In de verzetprocedure heeft de kantonrechter [eiser] te bewijzen opgedragen dat [verweerder] stelselmatig weigerde kwitanties af te geven nadat de huur contant werd betaald en tevens dat [eiser] het restant van de huur over december 2004 en de huur over januari tot en met mei 2005 heeft betaald. [Eiser] is naar het oordeel van de kantonrechter niet in dit bewijs geslaagd en het verstekvonnis is bekrachtigd.
3.3. In hoger beroep heeft [eiser] een grief aangevoerd tegen de bewijsopdracht door de kantonrechter. Het hof heeft de grief verworpen. Daartoe heeft het hof in rov. 4.3.1 tot uitgangspunt genomen dat op de huurder in beginsel de bewijslast rust voor het betalen van de overeengekomen huurpenningen nu hij zich ter bevrijding uit zijn verplichtingen uit de huurovereenkomst op betaling beroept.
3.4.1 Onderdeel 1 van het middel bestrijdt dit uitgangspunt als onjuist en betoogt dat ingevolge art. 150 Rv Pro. de partij (hier: [verweerder]) die zich beroept op de aan een tekortkoming in de nakoming van een verbintenis verbonden rechtsgevolgen, de bewijslast draagt van de feiten die een zodanig tekortkoming vormen.
3.4.2 Voorzover [verweerder] in dit geding betaling van de door hem gestelde achterstallige huurtermijnen vordert, is dat een vordering tot nakoming van de verbintenis van [eiser] tot betaling van de huur en berust die vordering niet op wanprestatie van [eiser] maar op die verbintenis. Nu [eiser] het verweer voerde dat hij de huur heeft voldaan, waaruit zou volgen dat de verbintenis waarvan nakoming wordt gevorderd is tenietgegaan, is dat een bevrijdend verweer waarvoor hij ingevolge art. 150 Rv Pro. de bewijslast draagt, zoals het hof terecht heeft overwogen.
3.4.3 Met betrekking tot de door [verweerder] gevorderde ontbinding van de huurovereenkomst wegens wanprestatie van [eiser], geldt in dit geval dezelfde verdeling van de bewijslast. De door het onderdeel ingeroepen regel van bewijslastverdeling sluit niet uit dat de wederpartij tegen de vordering tot ontbinding een bevrijdend verweer voert, waarvan deze dan volgens art. 150 Rv Pro. de bewijslast draagt. Daarvan is hier sprake omdat de aan de vordering tot ontbinding ten grondslag liggende wanprestatie van [eiser] uitsluitend erin bestond dat [eiser] de huur niet (volledig) had betaald, zodat het verweer van [eiser] dat hij de huur wel heeft betaald - waardoor de betalingsverplichting van [eiser] zou zijn tenietgegaan - ook met betrekking tot deze vordering niet anders dan als een bevrijdend verweer kan worden beschouwd.
Onderdeel 1 faalt dus.
3.5 De onderdelen 2 en 3 kunnen niet tot cassatie leiden omdat ze berusten op een verkeerde lezing van het bestreden arrest.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van de [verweerder] begroot op nihil.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren A. Hammerstein, als voorzitter, F.B. Bakels en W.D.H. Asser, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer E.J. Numann op 27 november 2009.