ECLI:NL:HR:2009:BK3076

Hoge Raad

Datum uitspraak
22 december 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
09/02513
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • A. Hammerstein
  • O. de Savornin Lohman
  • W.D.H. Asser
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 44 lid 3 RvArt. 81 RO
Verwijzingen
3 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verwerpt cassatie in geschil over overeenkomst en schadevergoeding inzake zandgroevenexploitatie

Eiser heeft verweerder gedagvaard met de vordering dat tussen partijen een overeenkomst bestaat waarbij verweerder gehouden is een percentage van inkomsten uit de exploitatie van zandgroeven annex stortputten aan eiser te betalen, inclusief schadevergoeding wegens niet-nakoming.

De rechtbank wees de vorderingen af en het hof bekrachtigde dit oordeel. Eiser stelde daarop beroep in cassatie in bij de Hoge Raad. De Hoge Raad liet een door eiser ingediende brief terzijde leggen omdat deze buiten de termijn van artikel 44 lid 3 Rv Pro was ingediend.

De Hoge Raad oordeelde dat de aangevoerde klachten niet tot cassatie konden leiden en dat geen nadere motivering nodig was omdat de klachten geen rechtsvragen in het belang van rechtseenheid of rechtsontwikkeling opriepen. Het beroep werd verworpen en eiser werd veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie.

Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt dat geen overeenkomst is gesloten en dat de vorderingen van eiser terecht zijn afgewezen.

Uitspraak

22 december 2009
Eerste Kamer
09/02513
EV/AS
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[Eiser],
wonende te [woonplaats],
EISER tot cassatie,
advocaat: mr. P. Garretsen,
t e g e n
[Verweerder],
wonende te [woonplaats],
VERWEERDER in cassatie,
advocaat: mr. R.L. Bakels.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [eiser] en [verweerder].
1. Het geding in feitelijke instanties
[Eiser] heeft bij exploot van 6 juni 2005 [verweerder] gedagvaard voor de rechtbank 's-Hertogenbosch en gevorderd, kort gezegd, uitvoerbaar bij voorraad te verklaren voor recht dat tussen [eiser] en [verweerder] een overeenkomst bestaat waarbij [verweerder] is gehouden een percentage van inkomsten uit exploitatie van zandgroeven annex stortputten te betalen aan [eiser] met daarbij aangevende het tijdstip wanneer deze uitbetaling moet of reeds had moeten plaatsvinden, met dien verstande dat [verweerder] ook gehouden is tot schadevergoeding inzake de niet-nakoming van de verbintenis tussen [verweerder] en [eiser].
[Verweerder] heeft de vorderingen bestreden.
De rechtbank heeft bij vonnis van 20 september 2006 de vorderingen afgewezen.
Tegen dit vonnis heeft [eiser] hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch.
Bij arrest van 27 januari 2009 heeft het hof het vonnis van de rechtbank bekrachtigd.
Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het arrest van het hof heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
[Verweerder] heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
Partijen hebben afgezien van het geven van een toelichting.
De conclusie van de Advocaat-Generaal L.A.D. Keus strekt tot verwerping van het beroep met toepassing van art. 81 RO Pro.
De advocaat van [eiser] heeft op 27 november 2009 schriftelijk op deze ter rolle van 6 november 2009 genomen conclusie gereageerd. Nu deze reactie meer dan twee weken nadat de conclusie was genomen, en derhalve na het verstrijken van de termijn van art. 44 lid 3 Rv Pro., bij de Hoge Raad is ingekomen, heeft de Hoge Raad deze brief terzijde gelegd.
3. Beoordeling van de middelen
De in de middelen aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO Pro, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerder] begroot op € 358,38 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren A. Hammerstein, als voorzitter, O. de Savornin Lohman en W.D.H. Asser, en in het openbaar uitgesproken door de vice-president F.H. Koster op 22 december 2009.