ECLI:NL:HR:2009:BK3581

Hoge Raad

Datum uitspraak
22 december 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
09/02780
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 RO
Verwijzingen
2 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt afwijzing faillissementsverzoek na vernietiging vonnis rechtbank

Op 8 mei 2009 diende eiser een verzoekschrift in bij de rechtbank Rotterdam om verweerder in staat van faillissement te verklaren. De rechtbank verklaarde verweerder op 9 juni 2009 in staat van faillissement. Verweerder stelde hiertegen hoger beroep in bij het gerechtshof te ’s-Gravenhage. Het hof vernietigde het vonnis van de rechtbank en wees het verzoek tot faillietverklaring af in het arrest van 7 juli 2009.

Eiser stelde vervolgens beroep in cassatie in tegen het arrest van het hof. Verweerder heeft geen verweerschrift ingediend. De Advocaat-Generaal adviseerde het cassatieberoep te verwerpen op grond van artikel 81 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie.

De Hoge Raad oordeelde dat de aangevoerde klachten niet tot cassatie konden leiden en dat nadere motivering niet nodig was omdat de klachten geen rechtsvragen opriepen die van belang zijn voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling. Het beroep werd verworpen en eiser werd veroordeeld in de kosten van het geding, welke nihil werden vastgesteld aan de zijde van verweerder.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het faillissementsverzoek definitief afgewezen.

Uitspraak

22 december 2009
Eerste Kamer
09/02780
EE
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[Eiser],
wonende te [woonplaats],
EISER tot cassatie,
advocaat: mr. P. Garretsen,
t e g e n
[Verweerder],
wonende te [woonplaats],
VERWEERDER in cassatie,
niet verschenen.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [eiser] en [verweerder].
1. Het geding in feitelijke instanties
Met een op 8 mei 2009 ter griffie van de rechtbank Rotterdam ingediend verzoekschrift heeft [eiser] zich gewend tot die rechtbank en verzocht, kort gezegd, [verweerder] in staat van faillissement te verklaren.
Nadat de rechtbank [verweerder] in raadkamer heeft gehoord heeft zij bij vonnis van 9 juni 2009 [verweerder] in staat van faillissement verklaard.
Tegen voornoemd vonnis heeft [verweerder] hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te ’s-Gravenhage.
Bij arrest van 7 juli 2009 heeft het hof het vonnis van de rechtbank vernietigd en, opnieuw rechtdoende, het verzoek tot faillietverklaring ten aanzien van [verweerder] alsnog afgewezen.
Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het arrest van het hof heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
[Verweerder] heeft geen verweerschrift ingediend.
De zaak is voor [eiser] toegelicht door zijn advocaat.
De conclusie van de Advocaat-Generaal E.B. Rank-Berenschot strekt tot verwerping van het beroep met toepassing van art. 81 RO Pro.
3. Beoordeling van de middelen
De in de middelen aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO Pro, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerder] begroot op nihil.
Dit arrest is gewezen door de vice-president D.H. Beukenhorst als voorzitter en de raadsheren E.J. Numann en W.A.M. van Schendel, en in het openbaar uitgesproken door de vice-president F.H. Koster op 22 december 2009.