ECLI:NL:PHR:2009:BK3581
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad vernietigt faillissementsvonnis wegens onvoldoende bewijs van faillissementstoestand
In deze zaak verzocht eiser de rechtbank om verweerder in staat van faillissement te verklaren op grond van een vordering uit een overeenkomst tot afbouw van twee appartementen. Verweerder stelde zich niet persoonlijk aansprakelijk, maar verwees naar de besloten vennootschap A, waarvan hij bestuurder is, als contractspartij voor de afbouwverplichting.
De rechtbank verklaarde verweerder failliet, maar het gerechtshof vernietigde dit vonnis en wees het verzoek af. Het hof oordeelde dat niet summierlijk was gebleken dat verweerder persoonlijk aansprakelijk was en dat er geen faillissementstoestand bestond, mede gelet op het geringe schuldenbestand en het gezinsinkomen.
De Hoge Raad bevestigt dat het hof terecht oordeelde dat nader feitenonderzoek nodig is om de contractuele relatie tussen partijen te verduidelijken en dat het faillissementsverzoek gebaseerd is op een zakelijk geschil. Ook is het oordeel over het ontbreken van een toestand van niet-betaling niet onbegrijpelijk. De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt het arrest van het hof.
Uitkomst: Het verzoek tot faillietverklaring van verweerder wordt afgewezen wegens onvoldoende bewijs van faillissementstoestand.