ECLI:NL:HR:2010:BK3425
Hoge Raad
- Cassatie
- A.J.A. van Dorst
- J.W. Ilsink
- H.A.G. Splinter-van Kan
- C.H.W.M. Sterk
- M.A. Loth
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid van het beroep in cassatie wegens niet tijdig indienen van middelen
Op 2 maart 2010 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in het cassatieberoep van verdachte tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam van 22 maart 2007. Verdachte had beroep in cassatie ingesteld, maar heeft niet binnen de wettelijke termijn door een raadsman schriftelijke middelen van cassatie ingediend.
De Advocaat-Generaal concludeerde dat verdachte niet-ontvankelijk verklaard moest worden wegens het niet naleven van art. 437, tweede lid, Sv. De Hoge Raad volgde deze conclusie en oordeelde dat het voorschrift van tijdige indiening van middelen door een raadsman niet was nageleefd, waardoor het beroep niet ontvankelijk kon worden verklaard.
Het arrest werd gewezen door de vice-president en raadsheren van de Strafkamer van de Hoge Raad, waarbij verdachte definitief niet-ontvankelijk werd verklaard in het cassatieberoep. Hierdoor is het eerdere arrest van het gerechtshof ongewijzigd gebleven.
Uitkomst: Verdachte wordt niet-ontvankelijk verklaard in het cassatieberoep wegens niet tijdig indienen van middelen.