ECLI:NL:HR:2010:BK3425

Hoge Raad

Datum uitspraak
2 maart 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
07/11971
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 437 Sv
Verwijzingen
2 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid van het beroep in cassatie wegens niet tijdig indienen van middelen

Op 2 maart 2010 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in het cassatieberoep van verdachte tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam van 22 maart 2007. Verdachte had beroep in cassatie ingesteld, maar heeft niet binnen de wettelijke termijn door een raadsman schriftelijke middelen van cassatie ingediend.

De Advocaat-Generaal concludeerde dat verdachte niet-ontvankelijk verklaard moest worden wegens het niet naleven van art. 437, tweede lid, Sv. De Hoge Raad volgde deze conclusie en oordeelde dat het voorschrift van tijdige indiening van middelen door een raadsman niet was nageleefd, waardoor het beroep niet ontvankelijk kon worden verklaard.

Het arrest werd gewezen door de vice-president en raadsheren van de Strafkamer van de Hoge Raad, waarbij verdachte definitief niet-ontvankelijk werd verklaard in het cassatieberoep. Hierdoor is het eerdere arrest van het gerechtshof ongewijzigd gebleven.

Uitkomst: Verdachte wordt niet-ontvankelijk verklaard in het cassatieberoep wegens niet tijdig indienen van middelen.

Uitspraak

2 maart 2010
Strafkamer
nr. 07/11971
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 22 maart 2007, nummer 23/004930-05, in de strafzaak tegen:
[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1967, wonende te [woonplaats].
1. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Middelen van cassatie zijn namens deze niet voorgesteld.
De Advocaat-Generaal Vellinga heeft geconcludeerd dat de verdachte niet-ontvankelijk zal worden verklaard in het beroep.
2. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
Nu de verdachte niet binnen de bij de wet gestelde termijn bij de Hoge Raad door een raadsman een schriftuur houdende middelen van cassatie heeft doen indienen, is niet in acht genomen het voorschrift van art. 437, tweede lid, Sv, zodat de verdachte in het beroep niet kan worden ontvangen.
3. Beslissing
De Hoge Raad verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren J.W. Ilsink, H.A.G. Splinter-van Kan, C.H.W.M. Sterk en M.A. Loth, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken op 2 maart 2010.