ECLI:NL:HR:2010:BK3428
Hoge Raad
- Cassatie
- F.H. Koster
- J.W. Ilsink
- W.M.E. Thomassen
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid in cassatie wegens ontbreken middelen van cassatie bij profijtontneming
Betrokkene had beroep in cassatie ingesteld tegen een bij verstek gewezen uitspraak van het Gerechtshof te 's-Gravenhage inzake een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. Echter heeft betrokkene niet binnen de wettelijke termijn door een raadsman een schriftuur houdende middelen van cassatie ingediend. Hierdoor is niet voldaan aan het vereiste van artikel 437, tweede lid, juncto artikel 511h van het Wetboek van Strafvordering.
De Advocaat-Generaal concludeerde dat betrokkene niet-ontvankelijk verklaard moest worden in het beroep. De Hoge Raad volgde dit advies en oordeelde dat betrokkene niet in het beroep kan worden ontvangen. Dit betekent dat het cassatieberoep niet inhoudelijk is behandeld vanwege het ontbreken van de noodzakelijke processtukken.
Het arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter en de raadsheren J.W. Ilsink en W.M.E. Thomassen. De uitspraak bevestigt het belang van het naleven van formele procesvereisten in cassatieprocedures, met name bij ontnemingsvorderingen.
Uitkomst: Betrokkene wordt niet-ontvankelijk verklaard in het cassatieberoep wegens het ontbreken van middelen van cassatie.