ECLI:NL:HR:2010:BK3497
Hoge Raad
- Cassatie
- F.H. Koster
- J.P. Balkema
- M.A. Loth
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad vermindert gevangenisstraf wegens overschrijding redelijke termijn in cassatiefase
De zaak betreft een cassatieberoep van een verdachte die in voorlopige hechtenis verbleef. Het cassatieberoep was gericht tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage. De Hoge Raad beoordeelde of de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM, was overschreden in de cassatiefase.
De Hoge Raad constateerde dat de stukken te laat door het hof waren ingezonden, waardoor meer dan zestien maanden waren verstreken sinds het instellen van het cassatieberoep. Dit leidde tot een overschrijding van de redelijke termijn. Gezien deze overschrijding werd de opgelegde gevangenisstraf verminderd van zeven jaar naar zes jaar en zes maanden.
De Hoge Raad vernietigde het bestreden arrest uitsluitend voor wat betreft de strafoplegging en de duur van de straf. Voor het overige werd het beroep verworpen. Er waren geen andere gronden voor vernietiging aanwezig. Het arrest werd gewezen door de vice-president als voorzitter en twee raadsheren, en uitgesproken op 5 januari 2010.
Uitkomst: De gevangenisstraf werd verminderd van zeven jaar naar zes jaar en zes maanden wegens overschrijding van de redelijke termijn in de cassatiefase.