ECLI:NL:PHR:2010:BK3497

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
5 januari 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
08/00390
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 onder C OpiumwetArt. 10 Opiumwet
Verwijzingen
3 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vermindering straf wegens overschrijding redelijke termijn in cassatiefase bij medeplegen opiumdelicten

De verdachte werd door het Gerechtshof 's-Gravenhage veroordeeld tot zeven jaar gevangenisstraf voor medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met de Opiumwet, medeplegen van voorbereidingshandelingen en witwassen. Tegen dit arrest stelde de advocaat cassatie in bij de Hoge Raad.

In de cassatiefase werd vastgesteld dat de redelijke termijn was overschreden. Het cassatieberoep werd op 12 december 2007 ingesteld, maar het dossier werd pas op 19 juni 2009 ter administratie van de Hoge Raad ontvangen, wat een overschrijding van de wettelijke inzendtermijn van acht maanden betekent. Daarnaast was er bijna twee jaar verstreken tussen het instellen van het beroep en de conclusie van de Procureur-Generaal.

De Procureur-Generaal achtte de overschrijding voldoende reden om de opgelegde straf te verminderen. Argumenten zoals het vluchtrisico van de verdachte als vreemdeling en de detentiesituatie in Nederland werden meegewogen, maar vormden geen reden om af te wijken van de gebruikelijke regels. De conclusie was dat het arrest moet worden vernietigd voor zover het de strafoplegging betreft en dat de straf verminderd moet worden.

De zaak hangt samen met andere zaken tegen medeverdachten, waarover gelijktijdig conclusies zijn genomen. De Hoge Raad zal het arrest vernietigen en de straf verminderen vanwege de overschrijding van de redelijke termijn in cassatie.

Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest voor strafoplegging en vermindert de gevangenisstraf wegens overschrijding van de redelijke termijn in cassatie.

Conclusie

Nr. 08/00390
Mr. Machielse
Zitting 10 november 2009
Conclusie inzake:
[Verdachte](1)
1. Het Gerechtshof 's-Gravenhage heeft verdachte op 10 december 2007 voor 1: medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder Pro C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd; 2: de eendaadse samenloop van medeplegen van, om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van Pro de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, gelden voorhanden hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit, en; medeplegen van witwassen; 3, eerste alternatief: medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder Pro C van de Opiumwet gegeven verbod; en tweede alternatief: medeplegen van, om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van Pro de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, een ander trachten te bewegen om dat feit mede te plegen, om daarbij behulpzaam te zijn of om daartoe gelegenheid, middelen of inlichtingen te verschaffen of zich of een ander gelegenheid, middelen of inlichtingen tot het plegen van dat feit trachten te verschaffen of gelden voorhanden hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zeven jaar.
2. Mr. J.H.L.C. Kuijpers, advocaat te 's-Hertogenbosch, heeft cassatie ingesteld. Mrs. L. de Leon en M.G. Vos, advocaten te Utrecht, hebben een schriftuur ingezonden, houdende één middel van cassatie.
3.1. Het middel stelt dat de redelijke termijn in cassatie is overschreden omdat op 12 december 2007 cassatieberoep is ingesteld tegen het bestreden arrest en het dossier eerst op 19 juni 2009 ter administratie van de Hoge Raad is ontvangen. De stellers van het middel wijzen erop dat aan een aantal omstandigheden in deze zaak extra gewicht toegekend moet worden bij de beslissing in hoeverre de opgelegde straf wegens schending van de redelijke termijn dient te worden verminderd. In de eerste plaats is er sprake van een corruptieonderzoek in Spanje, waarvan de verdachte in 2008 op de hoogte is gekomen en waardoor het vertrouwensbeginsel onder druk is komen te staan. In de tweede plaats zal verdachte zijn Nederlandse gevangenisstraf dienen door te moeten brengen in een beveiligde en gesloten penitentiaire inrichting en komt hij niet in aanmerking voor de detentiefasering, waardoor de opgelegde gevangenisstraf extra zwaar aankomt.
3.2. Inderdaad is tussen het instellen van het cassatieberoep en de ontvangst van de stukken ter administratie van de Hoge Raad iets meer dan anderhalf jaar verlopen, hetgeen een schending oplevert van de door de Hoge Raad op acht maanden gestelde inzendtermijn. Bovendien is tussen het instellen van het beroep en de datum waarop deze conclusie wordt genomen bijna een jaar en 11 maanden verlopen, waardoor de redelijke termijn - nu verdachte in de onderhavige zaak is gedetineerd - nogmaals is geschonden. Deze schendingen van de redelijke termijn dienen te worden gecompenseerd door een vermindering van de opgelegde straf.
3.3. Wat het belang is van de eerste omstandigheid voor de vaststelling van het gevolg dat aan de schending van de redelijke termijn moet worden verbonden is mij niet duidelijk kunnen worden.
De omstandigheid dat men als vreemdeling een vluchtrisico betekent, hetgeen gevolgen heeft voor de detentiesituatie, is voorts een gegeven dat mijns inziens inherent is aan de rol die verdachte in het geheel heeft gespeeld en die het hof in de strafmotivering tot uitdrukking heeft gebracht. Verdachte heeft, aldus het hof - op afstand, vanuit Spanje - een coördinerende, aansturende en leidinggevende rol vervuld waarbij hij anderen het risico liet lopen. Verdachte heeft vanuit het buitenland de regie gevoerd bij de strafbare feiten. Ongetwijfeld heeft het hof voorzien dat de verdachte onder een ander detentieregime in Nederland zou worden gedetineerd dan andere verdachten die in Nederland thuis zijn. Ik zie dan ook geen reden om in een afwijking van de gebruikelijke regels te voorzien op basis van de tweede in het middel genoemde omstandigheid.
Het middel is gegrond, hetgeen zal dienen te leiden tot een vermindering van de opgelegde straf.
4. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging aanleiding behoort te geven.
5. Deze conclusie strekt ertoe dat de Hoge Raad het arrest, waarvan beroep, zal vernietigen voorzover het betreft de strafoplegging en de opgelegde straf zal verminderen.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
1 Deze zaak hangt samen met nr. 09/02484 ([medeverdachte 1]) waarin ik op 3 november 2009 conclusie heb genomen en met nr. 08/03970 ([medeverdachte 2]), waarin ik ook vandaag concludeer.