ECLI:NL:HR:2010:BK5759

Hoge Raad

Datum uitspraak
5 februari 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
08/04576
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt afwijzing kennelijk onredelijk ontslag door Gemeente Amsterdam

Eiser, woonachtig te een woonplaats, werd ontslagen door de Gemeente Amsterdam (dienst Stadstoezicht). Hij vorderde bij de rechtbank Amsterdam dat het ontslag kennelijk onredelijk zou worden verklaard, herstel van het dienstverband en betaling van salaris, dan wel een schadevergoeding. De kantonrechter wees deze vorderingen af. In hoger beroep bevestigde het gerechtshof Amsterdam dit oordeel.

Eiser stelde vervolgens beroep in cassatie in bij de Hoge Raad. De Gemeente verzocht het cassatieberoep te verwerpen. De Advocaat-Generaal adviseerde eveneens tot verwerping van het beroep. De Hoge Raad oordeelde dat de aangevoerde klachten niet tot cassatie konden leiden en dat nadere motivering niet nodig was omdat de klachten geen rechtsvragen opriepen die van belang zijn voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling.

Het arrest van de Hoge Raad bevestigt daarmee de eerdere beslissingen dat het ontslag niet kennelijk onredelijk was. Eiser werd veroordeeld in de kosten van het cassatiegeding. De uitspraak werd gedaan door de raadsheren A. Hammerstein, O. de Savornin Lohman en F.B. Bakels en in het openbaar uitgesproken door W.A.M. van Schendel op 5 februari 2010.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het ontslag wordt niet kennelijk onredelijk verklaard.

Uitspraak

5 februari 2010
Eerste Kamer
08/04576
EE/TT
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[Eiser],
wonende te [woonplaats],
EISER tot cassatie,
advocaat: mr. P. Garretsen,
t e g e n
DE GEMEENTE AMSTERDAM (dienst Stadstoezicht),
zetelende te Amsterdam,
VERWEERSTER in cassatie,
advocaat: mr. R.A.A. Duk.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [eiser] en de Gemeente.
1. Het geding in feitelijke instanties
[Eiser] heeft bij exploot van 6 februari 2006 de Gemeente gedagvaard voor de rechtbank Amsterdam, sector kanton en gevorderd, kort gezegd,
- primair voor recht te verklaren dat het door de Gemeente aan [eiser] verleende ontslag kennelijk onredelijk is, en de Gemeente te veroordelen tot herstel van het dienstverband en tot betaling van het overeengekomen salaris, en
- subsidiair, voor recht te verklaren dat het door de Gemeente aan [eiser] verleende ontslag kennelijk onredelijk is, en voorts de Gemeente te veroordelen tot betaling van een schadevergoeding van € 91.919,-- althans een naar billijkheid toe te kennen schadevergoeding.
De Gemeente heeft de vorderingen bestreden.
De kantonrechter heeft, na een tussenvonnis van 3 april 2006, bij eindvonnis van 18 september 2006 de vorderingen afgewezen.
Tegen het eindvonnis van de kantonrechter heeft [eiser] hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam.
Bij arrest van 8 mei 2008 heeft het hof het vonnis van de kantonrechter bekrachtigd.
Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het arrest van het hof heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Gemeente heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.
De conclusie van de Advocaat-Generaal L. Timmerman strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
3. Beoordeling van de middelen
De in de middelen aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO Pro, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van de Gemeente begroot op € 374,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren A. Hammerstein, als voorzitter, O. de Savornin Lohman en F.B. Bakels, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer W.A.M. van Schendel op 5 februari 2010.