ECLI:NL:HR:2010:BK6053

Hoge Raad

Datum uitspraak
9 april 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
08/04160
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4 Wet Divb 1965Art. 11 lid 3 BRKArt. 43 EGArt. 47 LGO-besluitArt. 56 EG
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt rechtmatigheid inhouding dividendbelasting op uitkering aan Antilliaanse vennootschap

Belanghebbende, een Nederlandse vennootschap, keerde op 29 december 2005 een dividend uit aan een aandeelhouder gevestigd in de Nederlandse Antillen, waarop zij dividendbelasting heeft afgedragen. Tegen deze afdracht maakte belanghebbende bezwaar en verzocht om teruggaaf, welke werd afgewezen door de Inspecteur en vervolgens door de Rechtbank.

Belanghebbende stelde in cassatie dat de inhouding van dividendbelasting in strijd was met het EG-recht, met name met artikel 47 van Pro het LGO-besluit en artikel 56 EG Pro, en dat sprake was van discriminatie. De Hoge Raad oordeelde dat de dividenduitkering geen transactie is als bedoeld in artikel 47 lid 1 van Pro het LGO-besluit en dat de beperking van de dividendbelasting binnen de werkingssfeer van artikel 43 EG Pro valt.

De Hoge Raad bevestigde dat de situaties van binnenlandse en buitenlandse aandeelhouders niet feitelijk en rechtens vergelijkbaar zijn, waardoor geen sprake is van verboden discriminatie. Het incidentele beroep van de Staatssecretaris werd niet behandeld omdat het alleen aan de orde zou zijn indien het principale beroep slaagde. De Hoge Raad verklaarde het cassatieberoep ongegrond en veroordeelde partijen niet in de proceskosten.

Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep ongegrond en bevestigt de rechtmatigheid van de inhouding van dividendbelasting.

Uitspraak

Nr. 08/04160
9 april 2010
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van X3 B.V. te Z3 (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de Rechtbank te Haarlem van 18 augustus 2008, nr. AWB 07/724, betreffende een op aangifte afgedragen bedrag aan dividendbelasting.
1. Het geding in feitelijke instantie
Belanghebbende heeft ter zake van een op 29 december 2005 aan haar aandeelhouder ter beschikking gesteld dividend op aangifte een bedrag aan dividendbelasting afgedragen. Belanghebbende heeft tegen de afdracht van dit bedrag bezwaar gemaakt en verzocht om teruggaaf, welk verzoek bij uitspraak van de Inspecteur is afgewezen.
Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij de Rechtbank.
De Rechtbank heeft het tegen die uitspraak ingestelde beroep ongegrond verklaard. De uitspraak van de Rechtbank is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank beroep in cassatie ingesteld.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend. Hij heeft tevens incidenteel beroep in cassatie ingesteld.
Het beroepschrift in cassatie en het geschrift waarbij incidenteel beroep in cassatie is ingesteld, zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.
Belanghebbende heeft het incidentele beroep beantwoord.
Belanghebbende heeft in het principale beroep een conclusie van repliek ingediend.
De Staatssecretaris heeft in het principale beroep een conclusie van dupliek ingediend.
De Staatssecretaris heeft in het incidentele beroep een conclusie van repliek ingediend.
Belanghebbende heeft in het incidentele beroep een conclusie van dupliek ingediend.
De Advocaat-Generaal P.J. Wattel heeft op 19 november 2009 geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het principale beroep en niet-ontvankelijkverklaring van het incidentele beroep.
Belanghebbende heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.
3. Uitgangspunten in cassatie
Belanghebbende, naar Nederlands recht opgericht en in Nederland gevestigd, heeft op 29 december 2005 een dividend uitgekeerd aan J N.V. (hierna: NV) ter grootte van € 95.250.741. NV, opgericht naar het recht van de Nederlandse Antillen en aldaar gevestigd, hield op dat moment 70 percent van de aandelen in belanghebbende. Belanghebbende heeft op deze dividenduitkering onder toepassing van artikel 11, lid 3, van de Belastingregeling voor het Koninkrijk, 8,3 percent dividendbelasting op aangifte afgedragen.
4. Beoordeling van de in het principale beroep voorgestelde middelen
4.1. De middelen bevatten onder meer de klacht dat de Rechtbank ten onrechte de inhouding van dividendbelasting op het onderhavige dividend niet heeft aangemerkt als een beperking die wordt verboden door artikel 47, lid 1, aanhef en letter b, van Besluit nr. 2001/822/EG van de Raad van 27 november 2001 (hierna: het LGO-besluit). Aan deze klacht ligt de veronderstelling ten grondslag dat het LGO-besluit van toepassing is op betrekkingen tussen Nederland en de Nederlandse Antillen. De juistheid van deze veronderstelling - deze wordt bestreden door middel 1 van het incidentele beroep - kan in het midden blijven, aangezien de klacht reeds faalt doordat zij berust op een onjuiste uitleg van artikel 47, lid 1, van het LGO-besluit. Deze bepaling ziet slechts op kapitaalverkeer dat zich in bepaalde nader aangeduide vormen voordoet, en heeft derhalve een minder ruim bereik dan artikel 56 EG Pro. Het uitkeren van dividend is als zodanig geen transactie als bedoeld in artikel 47, lid 1, letter b, van het LGO-besluit. Het investeren door een vennootschap in een land met de LGO-status in een dochtervennootschap in een lidstaat is wel een zodanige transactie, doch een dergelijke investering vanuit het land met de LGO-status wordt als zodanig niet beperkt door een in de lidstaat van vestiging van de dochtervennootschap gemaakt verschil tussen de fiscale behandeling van door die dochtervennootschap uitgekeerde dividenden al naar gelang deze aan een binnenlandse dan wel buitenlandse moedervennootschap worden uitgekeerd.
4.2. De Rechtbank heeft naar aanleiding van de stelling van belanghebbende dat het hiervoor in 4.1 bedoelde verschil in behandeling discriminatoir is, geoordeeld (in r.o. 4.18) dat de vergeleken gevallen feitelijk en rechtens niet gelijk of vergelijkbaar zijn. De middelen falen voor zover zij ervan uitgaan dat wel sprake is van discriminatie. Het gaat om de middelen waarin wordt geklaagd over schending van artikel 26 van Pro het IVBPR, artikel 6 (de Hoge Raad leest artikel 14) van het EVRM en artikel 1 van Pro de Belastingregeling voor het Koninkrijk, maar in wezen ook om de middelen waarin wordt geklaagd over schending van artikel 183, aanhef en lid 5, EG en van artikel 45 van Pro het LGO-besluit. Wat er zij van de motivering die de Rechtbank aan haar oordeel ten grondslag heeft gelegd, in een geval waarin dividend wordt uitgekeerd aan een niet aan Nederlandse belastingheffing onderworpen aandeelhouder, gaat een belastingclaim in het land van oorsprong definitief verloren, terwijl dit niet het geval is bij een dividenduitkering aan een aandeelhouder die een binnenlandse vennootschap is. Dit brengt mee dat in het eerste geval de toepassing van de inhoudingsvrijstelling plaatsvindt in een wezenlijk andere situatie dan die welke in het tweede geval aan de orde is.
De klacht betreffende schending van artikel 1 van Pro de Belastingregeling voor het Koninkrijk faalt ook anderszins, omdat dat artikel, zoals is uiteengezet in de onderdelen 3.13 en 3.14 van de conclusie van de Advocaat-Generaal, niet van toepassing is op een verschillende behandeling van Nederlandse belastingplichtige lichamen.
4.3. Voor zover ten slotte de middelen een beroep doen op artikel 56 EG Pro kunnen zij evenmin tot cassatie leiden. De onderhavige dividenduitkering is, naar in cassatie niet in geschil is, gedaan op aandelen die een deelneming vormen van een omvang die NV de mogelijkheid verleent een beslissende invloed op de besluiten van belanghebbende uit te oefenen en de activiteiten van belanghebbende te bepalen. Hiervan uitgaande moet worden geoordeeld dat de in geschil zijnde toepassing van de Wet op de dividendbelasting 1965 en de Belastingregeling voor het Koninkrijk een beperking is die binnen de materiële werkingssfeer van artikel 43 EG Pro valt, in aanmerking genomen dat deze regelingen, voor zover hier van belang, gelet op hun voorwerp - de inhouding en afdracht van dividendbelasting in deelnemingsverhoudingen - zowel onder artikel 43 EG Pro (vrijheid van vestiging) als onder artikel 56 EG Pro (vrijheid van kapitaalverkeer) kunnen vallen. In zulk een geval rechtvaardigt die beperking niet dat de maatregelen waaruit zij voortvloeien, worden getoetst aan de artikelen 56 EG tot en met 58 EG, ook niet indien het betreft kapitaalverkeer met derde landen. Vorenstaande uitleg van artikel 56 EG Pro strookt met de rechtspraak van het Hof van Justitie (vergelijk de rechtspraak genoemd in HR 26 september 2008, nr. 43339, LJN BF2266, BNB 2009/24, en HvJ 4 juni 2009, KBC Bank NV en BRB NV, C-439/07 en C-499/07, V-N 2009/35.17, HvJ 18 juni 2009, Aberdeen, C-303/07, V-N 2009/31.11, HvJ 17 september 2009, Glaxo Wellcome, C-182/08, V-N 2009/47.20, en HvJ 21 januari 2010, SGI, C-311/08).
5. Het incidentele beroep
Nu het incidentele beroep kennelijk alleen is ingesteld voor het geval het principale beroep zou slagen, maar dit geval zich niet voordoet, behoeft het geen behandeling.
6. Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
7. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het principale beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer P. Lourens als voorzitter, en de raadsheren C.B. Bavinck, J.A.C.A. Overgaauw, P.M.F. van Loon en M.A. Fierstra, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 9 april 2010.