ECLI:NL:HR:2010:BK6166
Hoge Raad
- Cassatie
- F.H. Koster
- B.C. de Savornin Lohman
- M.A. Loth
- Rechtspraak.nl
Vermindering gevangenisstraf wegens overschrijding redelijke termijn in doodslagzaak
In deze zaak stond verdachte terecht voor de doodslag op een persoon in een woning te [plaats] op 1 januari 2006. De tenlastelegging werd in eerste aanleg gewijzigd waarbij onder meer doodslag als meer subsidiair feit werd toegevoegd. Het hof verklaarde het subsidiaire feit van doodslag bewezen en sprak verdachte vrij van de overige tenlasteleggingen.
De Hoge Raad oordeelde dat het hof op de grondslag van de gewijzigde tenlastelegging had beslist en dat de verwijzing naar de oorspronkelijke tenlastelegging een misslag was. Het cassatieberoep van verdachte richtte zich onder meer tegen het verlaten van de grondslag van de tenlastelegging, maar dit middel faalde omdat het hof de juiste grondslag had gehanteerd.
Wel werd geoordeeld dat de redelijke termijn zoals bedoeld in art. 6 EVRM Pro in de cassatiefase was overschreden, mede omdat de stukken te laat waren ingezonden en de verdachte in voorlopige hechtenis verbleef. Dit leidde tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van dertien jaar naar twaalf jaar en zes maanden. De rest van het beroep werd verworpen.
Uitkomst: De gevangenisstraf is verminderd tot twaalf jaar en zes maanden wegens overschrijding van de redelijke termijn.