ECLI:NL:HR:2010:BK7043
Hoge Raad
- Cassatie
- F.H. Koster
- B.C. de Savornin Lohman
- J.W. Ilsink
- Rechtspraak.nl
Vermindering van terug te betalen bedrag bij ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel wegens overschrijding redelijke termijn
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem inzake een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. De betrokkene had hoger beroep ingesteld tegen een vonnis van de rechtbank en voerde onder meer aan dat de redelijke termijn was overschreden zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro.
Het hof oordeelde dat het tijdsverloop en de negatieve publiciteit geen aanleiding gaven tot matiging van het terug te betalen bedrag. De Hoge Raad bevestigt dat in ontnemingszaken specifieke omstandigheden kunnen maken dat een termijn van meer dan twee jaar niet per definitie een overschrijding inhoudt. De enkele niet nader toegelichte opmerking van de raadsman over de redelijke termijn noopte het hof niet tot een ander oordeel.
Echter, in de cassatiefase constateert de Hoge Raad wel een overschrijding van de redelijke termijn omdat de stukken te laat werden ingezonden en meer dan twee jaar waren verstreken sinds het instellen van het cassatieberoep. Dit leidt tot vermindering van het bedrag dat de betrokkene moet terugbetalen. De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof uitsluitend voor wat betreft de hoogte van het bedrag en stelt dit vast op €175.136,-. Het beroep wordt verder verworpen.
Uitkomst: Het terug te betalen bedrag wordt verminderd tot €175.136,- wegens overschrijding van de redelijke termijn in cassatiefase.