ECLI:NL:HR:2010:BK9637

Hoge Raad

Datum uitspraak
5 maart 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
08/03657
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 ROArt. 7:177 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Uitleg van overeenkomst bij voorgenomen echtscheiding volgens Haviltexmaatstaf

In deze zaak stond de uitleg van een overeenkomst centraal die partijen hadden gesloten met het oog op hun voorgenomen echtscheiding. De vrouw had de man gedagvaard met een vordering tot betaling van een bedrag, terwijl de man in reconventie een verplichting tot het verlijden van een notariële akte wilde afdwingen.

De rechtbank wees de vordering van de vrouw af en veroordeelde haar in reconventie tot medewerking aan het verlijden van een notariële akte. Het gerechtshof bekrachtigde het vonnis in conventie en vernietigde het vonnis in reconventie, waarbij het de vordering van de man afwees.

De Hoge Raad stelde vast dat de uitleg van de overeenkomst moet plaatsvinden aan de hand van de Haviltexmaatstaf, waarbij de bedoeling van partijen centraal staat. De Hoge Raad bevestigde dat in de overeenkomst geen verplichting tot een notariële schenking ter zake des doods was opgenomen en dat art. 7:177 BW Pro niet in de overeenkomst was verdisconteerd. Het beroep van de man werd verworpen en iedere partij draagt haar eigen kosten.

Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt dat geen verplichting tot notariële vastlegging of schenking bestaat in de overeenkomst.

Uitspraak

5 maart 2010
Eerste Kamer
08/03657
EE/MD
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[De man],
wonende te [woonplaats],
EISER tot cassatie,
advocaat: mr. H.J.W. Alt,
t e g e n
[De vrouw],
wonende te [woonplaats],
VERWEERSTER in cassatie,
advocaat: mr. E. Grabandt.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als de man en de vrouw.
1. Het geding in feitelijke instanties
De vrouw heeft bij exploot van 16 juni 2003 de man gedagvaard voor de rechtbank Amsterdam en, na wijziging van eis, gevorderd, kort gezegd, de man te veroordelen aan de vrouw te betalen een bedrag van ƒ 17.607,29, met rente en kosten.
De man heeft de vordering bestreden en, voorzover in cassatie van belang, na wijziging van eis in reconventie, gevorderd, kort gezegd, de vrouw te veroordelen om binnen 14 dagen na betekening van het te wijzen vonnis onvoorwaardelijk mee te werken aan het verlijden van een notariële akte waarin de aan partijen genoegzaam bekende erkenningsovereenkomst, getekend op 19 oktober 2001, wordt overgenomen, zulks op verbeurte van een dwangsom.
De rechtbank heeft, na tussenvonnissen van 21 juli 2004 en 15 september 2004, bij eindvonnis van 28 februari 2007 de vordering van de vrouw afgewezen.
In reconventie heeft de rechtbank de vrouw veroordeeld mee te werken aan het verlijden van een notariële akte, waarin punt 3 van de erkenningsovereenkomst van 19 oktober 2001 wordt overgenomen, op straffe van een dwangsom. Het meer of anders gevorderde in reconventie heeft de rechtbank afgewezen.
Tegen het eindvonnis van de rechtbank heeft de vrouw hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam.
Bij arrest van 8 mei 2008 heeft het hof het vonnis van de rechtbank in conventie bekrachtigd en het vonnis van de rechtbank in reconventie vernietigd en de vordering van de man alsnog afgewezen. Het meer of anders gewezen in hoger beroep heeft het hof afgewezen.
Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het arrest van het hof heeft de man beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De vrouw heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.
De conclusie van de Advocaat-Generaal F.F. Langemeijer strekt tot verwerping van het beroep.
De advocaat van de man heeft bij brief van 29 januari 2010 op die conclusie gereageerd.
3. Beoordeling van het middel
De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO Pro, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
compenseert de kosten van het geding in cassatie aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Dit arrest is gewezen door de vice-president D.H. Beukenhorst als voorzitter en de raadsheren O. de Savornin Lohman, E.J. Numann, F.B. Bakels en W.D.H. Asser, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer E.J. Numann op 5 maart 2010.