ECLI:NL:HR:2010:BL2246

Hoge Raad

Datum uitspraak
26 februari 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
09/03661
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 120 lid 2 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid cassatieberoep wegens niet tijdig inschrijven exploot

In deze zaak hebben eisers cassatieberoep ingesteld tegen arresten van het gerechtshof te 's-Gravenhage. Het cassatieberoep betrof kort geding arresten van 16 juni 2009. De eisers hebben het cassatieberoep ingeleid met een exploot van dagvaarding op 10 augustus 2009, maar dit exploot is niet ter rolle ingeschreven op de zittingsdatum van 11 september 2009.

Vervolgens hebben eisers op 10 september 2009 een herstelexploot uitgebracht met oproeping voor de zitting van 25 september 2009, welke wel ter rolle is ingeschreven. De Hoge Raad oordeelt echter dat dit tweede exploot geen herstel kan bieden van het niet tijdig inschrijven van het eerste exploot en ook niet kan dienen ter herstel van de nietigheid die voortvloeit uit art. 120 lid 2 Rv Pro.

Daarom verklaart de Hoge Raad het cassatieberoep van eisers niet-ontvankelijk. Tevens worden eisers veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie, begroot op € 384,34 aan verschotten en € 2.200,-- aan salaris. Het arrest is gewezen door de raadsheren Hammerstein, Bakels, Asser en uitgesproken door Numann op 26 februari 2010.

Uitkomst: Het cassatieberoep van eisers wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens niet tijdig inschrijven van het exploot.

Uitspraak

26 februari 2010
Eerste Kamer
09/03661
EE/MD
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
1. [Eiser 1],
wonende te [woonplaats],
2. [Eiser 2],
wonende te [woonplaats],
EISERS tot cassatie,
advocaat: mr. A. [eiser],
t e g e n
DE STAAT DER NEDERLANDEN, (Ministerie van Buitenlandse Zaken),
zetelende te 's-Gravenhage,
VERWEERDER in cassatie,
advocaat: mr. M.M. van Asperen.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [eiser] c.s. en de Staat.
1. Het geding in feitelijke instanties
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
1. de vonnissen in de zaken KG 05/1626 en KG 05/1627 van de voorzieningenrechter te 's-Gravenhage van 2 februari 2006,
2. de arresten in de zaken 105.004.505/01 en 105.004.630/01 van het gerechtshof te 's-Gravenhage van 16 juni 2009.
De arresten van het hof zijn aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen de arresten van het hof hebben [eiser] c.s. beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staat heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van [eiser] c.s. dan wel verwerping van het beroep.
De conclusie van de Advocaat-Generaal E.M. Wesseling-van Gent strekt tot niet-ontvankelijkheid van eisers in hun cassatieberoep.
3. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
3.1 [Eiser] c.s. hebben bij exploot van 10 augustus 2009 de Staat aangezegd in cassatie te komen van de in kort geding gewezen arresten van het hof van 16 juni 2009 met oproeping van de Staat te verschijnen ter zitting van de enkelvoudige kamer van de Hoge Raad van 11 september 2009. Op die datum is de zaak niet ter rolle ingeschreven. Op 10 september 2009 hebben [eiser] c.s. een herstelexploot doen uitbrengen waarin zij de Staat hebben aangezegd te verschijnen ter voormelde zitting van 25 september 2009. Dit exploot is op deze datum ingeschreven ter rolle.
3.2 Het laatstgemelde exploot kan niet worden beschouwd als een herstelexploot, omdat het op grond van zijn inhoud, zoals uiteengezet in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 2.9, niet strekt tot herstel van gebreken in het eerste exploot die nietigheid met zich brengen als bedoeld in art. 120 lid 2 Rv Pro. Het kan ook niet dienen tot herstel van het niet inschrijven ter rolle.
3.3 Het voorgaande leidt tot de conclusie dat [eiser] c.s. niet in hun beroep kunnen worden ontvangen, omdat het tijdig uitgebrachte exploot niet is ingeschreven en het tweede, wel ingeschreven, exploot is uitgebracht na het verstrijken van de cassatietermijn op 11 augustus 2009 (vgl. HR 25 januari 2008, nr. 07/173, LJN BB9783, NJ 2008, 67).
4. Beslissing
De Hoge Raad:
verklaart [eiser] c.s. niet-ontvankelijk in hun cassatieberoep;
veroordeelt [eiser] c.s. in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van de Staat begroot op € 384,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren A. Hammerstein, als voorzitter, F.B. Bakels en W.D.H. Asser, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer E.J. Numann op 26 februari 2010.