ECLI:NL:HR:2010:BL3600

Hoge Raad

Datum uitspraak
12 februari 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
09/01205
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 lid 1 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Proceskostenvergoeding bij verzet tegen aanslag vennootschapsbelasting

Belanghebbende kreeg voor het jaar 2005 een aanslag vennootschapsbelasting en een boete opgelegd. Na bezwaar handhaafde de Inspecteur deze aanslag en boete. Belanghebbende stelde beroep in bij de Rechtbank Haarlem, die het beroep niet-ontvankelijk verklaarde. Belanghebbende deed verzet tegen deze uitspraak, waarop de Rechtbank het verzet gegrond verklaarde, maar geen beslissing nam over het verzoek om proceskostenvergoeding.

Belanghebbende stelde cassatieberoep in tegen deze uitspraak. De Hoge Raad oordeelde dat bij een gegrond verzet tegen een belastingaanslag de hoofdregel geldt dat het bestuursorgaan de proceskosten moet vergoeden, ook als het bestuursorgaan het geschil niet heeft uitgelokt of verdedigd. De Rechtbank had onjuist geoordeeld dat de vergoeding afhankelijk was van het gegrond of ongegrond zijn van het beroep.

De Hoge Raad vernietigde de uitspraak van de Rechtbank voor zover deze geen beslissing over de proceskostenvergoeding bevatte en verwees de zaak terug voor verdere behandeling. Tevens werd de Staat veroordeeld tot vergoeding van het griffierecht en de proceskosten van belanghebbende.

Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de uitspraak voor zover deze geen beslissing over proceskostenvergoeding bevat en verwijst de zaak terug.

Uitspraak

Nr. 09/01205
12 februari 2010
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van X B.V. te Z (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de Rechtbank te Haarlem van 6 februari 2009, nr. AWB 08/5511, op het verzet van belanghebbende tegen na te melden uitspraak van de Rechtbank betreffende een aanslag in de vennootschapsbelasting en de daarbij gegeven boetebeschikking.
1. Het geding in feitelijke instantie
Aan belanghebbende is voor het jaar 2005 een aanslag in de vennootschapsbelasting opgelegd, alsmede een boete. De aanslag en de boetebeschikking zijn, na daartegen gemaakt bezwaar, bij in één geschrift vervatte uitspraken van de Inspecteur gehandhaafd.
Belanghebbende is tegen die uitspraken in beroep gekomen bij de Rechtbank te Haarlem.
De Rechtbank heeft bij uitspraak van 13 oktober 2008 (nr. AWB 08/5511) het beroep niet-ontvankelijk verklaard.
Belanghebbende heeft daartegen verzet gedaan.
De Rechtbank heeft bij de in cassatie bestreden uitspraak het verzet gegrond verklaard. De uitspraak van de Rechtbank is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank op het verzet beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
3. Beoordeling van de klacht
3.1. Belanghebbende heeft in haar verzetschrift de Rechtbank verzocht om toekenning van een vergoeding van de door haar in verband met het verzet gemaakte kosten. De Rechtbank heeft in haar uitspraak op het verzet geen aandacht besteed aan dit verzoek. Voor zover de klacht daartegen is gericht, heeft het volgende te gelden.
3.2. Indien een belanghebbende in een belastingzaak een rechtsmiddel aanwendt en dit ertoe leidt dat hij geheel of gedeeltelijk in het gelijk wordt gesteld, geldt als hoofdregel dat het bestuursorgaan in de kosten van het geding wordt veroordeeld (vgl. HR 20 december 1995, nr. 30728, LJN AA3148, BNB 1996/74). De Hoge Raad is, in afwijking van vroegere rechtspraak, thans van oordeel dat deze hoofdregel tevens heeft te gelden indien het gaat om het rechtsmiddel van verzet, en ook indien de rechterlijke uitspraak op het punt waarop het beroep of het verzet gegrond is bevonden, niet door het bestuursorgaan is uitgelokt of is verdedigd. Dit doet recht aan de eigen aard van een in een fiscale rechtsbetrekking ontstaan geschil, waarin de behoefte in het algemeen is opgeroepen door een eenzijdig door het bestuursorgaan opgelegde last, in dit geval een belastingaanslag. Aldus komen in alle gevallen - als aan de overige vereisten voor vergoeding van proceskosten is voldaan - de voor vergoeding in aanmerking komende kosten van een door een belanghebbende met vrucht aangewend rechtsmiddel voor rekening van het bestuursorgaan.
3.3. Indien de Rechtbank in de uitspraak op het verzet de toekenning van een vergoeding van de kosten van het verzet achterwege heeft gelaten omdat zij van oordeel was dat de toewijsbaarheid van belanghebbendes verzoek om een proceskostenvergoeding diende af te hangen van het gegrond of ongegrond zijn van het beroep, geeft dat oordeel derhalve blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Indien de Rechtbank van oordeel was dat voor een proceskostenvergoeding anderszins geen aanleiding bestond, had zij, aangezien het verzet gegrond werd verklaard, dat als beslissing op het verzoek, met de gronden voor die beslissing, in de uitspraak moeten opnemen.
3.4. Gelet op het hiervoor in 3.3 overwogene is de klacht in zoverre gegrond. De bestreden uitspraak kan niet in stand blijven. De klacht behoeft voor het overige geen behandeling. Verwijzing moet volgen.
4. Proceskosten
De Staatssecretaris van Financiën zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie.
5. Beslissing
De Hoge Raad:
verklaart het beroep in cassatie gegrond,
vernietigt de bestreden uitspraak van de Rechtbank, doch uitsluitend voor zover deze geen beslissing bevat over het verzoek om een proceskostenvergoeding,
verwijst het geding naar de Rechtbank te Haarlem ter verdere behandeling en beslissing van de verzetzaak met inachtneming van dit arrest,
gelast dat de Staat aan belanghebbende vergoedt het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie verschuldigd geworden griffierecht ten bedrage van € 447, en
veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 1288 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Dit arrest is gewezen door de vice-president D.G. van Vliet als voorzitter, en de raadsheren P. Lourens, E.N. Punt, P.M.F. van Loon en M.A. Fierstra, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 12 februari 2010.