ECLI:NL:HR:2010:BL4078
Hoge Raad
- Cassatie
- O. de Savornin Lohman
- A. Hammerstein
- J.C. van Oven
- F.B. Bakels
- C.A. Streefkerk
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad over verrekenbeding en toedeling echtelijke woning bij echtscheiding
De zaak betreft een geschil tussen man en vrouw over de verrekening van overgespaarde inkomsten op grond van een periodiek verrekenbeding en de afrekening in verband met de toedeling van de echtelijke woning na hun echtscheiding. Het huwelijk werd ontbonden in 2006, met huwelijkse voorwaarden die een verrekenbeding bevatten dat tijdens het huwelijk niet werd nagekomen.
De vrouw stelde op basis van een taxatierapport dat de man een aanzienlijk vermogen had in aandelen van verschillende vennootschappen, en vorderde verrekening van een groot bedrag. Het hof oordeelde onder meer dat de peildatum voor verrekening de datum van beëindiging van de samenwoning was en dat bepaalde aandelen niet voor verrekening in aanmerking kwamen. Het hof nam een schatting van € 3 miljoen als uitgangspunt voor het te verrekenen vermogen, ondanks dat de man onvoldoende stukken had overgelegd.
De Hoge Raad stelde vast dat het hof onduidelijk en onbegrijpelijk had geoordeeld dat een indirect belang in dochtervennootschappen zelfstandig tot het vermogen van de man behoorde. Ook oordeelde de Hoge Raad dat het hof de grenzen van de rechtsstrijd had miskend door een verzoek van de man af te wijzen dat feitelijk binnen de procedure viel. Daarnaast was het oordeel van het hof dat de man onvoldoende tegenbewijs had geleverd tegen de schatting van de vrouw onbegrijpelijk, omdat de vrouw haar schatting summier had onderbouwd en de man gemotiveerd had betwist.
De Hoge Raad vernietigde daarom de bestreden beschikkingen en verwees de zaak naar het gerechtshof te 's-Gravenhage voor verdere behandeling en beslissing.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het hofarrest en verwijst de zaak terug voor verdere behandeling.