ECLI:NL:HR:2010:BL8779

Hoge Raad

Datum uitspraak
29 juni 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
08/04217
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 437 Sv
Verwijzingen
3 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verklaart verdachte niet-ontvankelijk in cassatieberoep wegens niet-indienen middelen

In deze strafzaak heeft de verdachte beroep in cassatie ingesteld tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam. Echter heeft de verdachte niet binnen de wettelijk voorgeschreven termijn door een raadsman schriftelijke middelen van cassatie ingediend, zoals vereist volgens artikel 437, tweede lid, Sv.

De Advocaat-Generaal heeft geconcludeerd dat de verdachte daarom niet-ontvankelijk verklaard moet worden in het beroep. De Hoge Raad heeft dit advies gevolgd en het beroep van de verdachte niet-ontvankelijk verklaard.

Het arrest is gewezen door de vice-president van de Hoge Raad, A.J.A. van Dorst, samen met raadsheren J. de Hullu en W.F. Groos. De uitspraak vond plaats op 29 juni 2010. Hiermee is het cassatieberoep van de verdachte definitief afgewezen vanwege niet-naleving van de procesvereisten.

Uitkomst: Verdachte wordt niet-ontvankelijk verklaard in het cassatieberoep wegens niet-indienen van middelen binnen de wettelijke termijn.

Uitspraak

29 juni 2010
Strafkamer
Nr. 08/04217
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 25 januari 2008, nummer 23/006113-05, in de strafzaak tegen:
[Verdachte 2], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1964, wonende te [woonplaats].
1. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Middelen van cassatie zijn namens deze niet voorgesteld.
De Advocaat-Generaal Jörg heeft geconcludeerd dat de verdachte niet-ontvankelijk zal worden verklaard in het beroep.
2. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
Nu de verdachte niet binnen de bij de wet gestelde termijn bij de Hoge Raad door een raadsman een schriftuur houdende middelen van cassatie heeft doen indienen, is niet in acht genomen het voorschrift van art. 437, tweede lid, Sv, zodat de verdachte in het beroep niet kan worden ontvangen.
3. Beslissing
De Hoge Raad verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren J. de Hullu en W.F. Groos, in bijzijn van de waarnemend griffier S.C. Rusche, en uitgesproken op 29 juni 2010.