ECLI:NL:HR:2010:BL9050
Hoge Raad
- Cassatie
- A.J.A. van Dorst
- B.C. Savornin Lohman
- J. de Hullu
- W.M.E. Thomassen
- C.H.W.M. Sterk
- Rechtspraak.nl
Vermindering ontnemingsbedrag wegens overschrijding redelijke termijn en geldige betekening verstekmededeling
In deze zaak stond een beroep in cassatie centraal tegen een bij verstek gewezen uitspraak van het Gerechtshof Arnhem betreffende een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. De betrokkene was sinds 2003 vertrokken naar Italië en had geen bekende woon- of verblijfplaats in Nederland.
De kern van het geschil betrof de vraag of het Openbaar Ministerie (OM) bij de betekening van de verstekmededeling de nodige voortvarendheid had betracht en of de redelijke termijn, zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro, was overschreden. De Hoge Raad oordeelde dat de akte van uitreiking betrekking had op de verstekmededeling en dat deze binnen een jaar na de uitspraak rechtsgeldig was betekend volgens de wettelijke voorschriften.
Daarnaast concludeerde de Hoge Raad dat het OM voldoende inspanningen had verricht om de betrokkene te achterhalen en dat niet kon worden gesteld dat het OM nalatig was geweest. Wel werd erkend dat de redelijke termijn was overschreden, wat leidde tot vermindering van het opgelegde ontnemingsbedrag van €450.000 naar €445.000.
Het beroep werd voor het overige verworpen, waarbij de Hoge Raad de bestreden uitspraak vernietigde uitsluitend wat betreft de hoogte van het ontnemingsbedrag. De uitspraak werd gedaan door de Strafkamer van de Hoge Raad op 2 november 2010.
Uitkomst: De Hoge Raad vermindert het opgelegde ontnemingsbedrag tot €445.000 wegens overschrijding van de redelijke termijn en bevestigt de geldige betekening van de verstekmededeling.