ECLI:NL:HR:2010:BM0285

Hoge Raad

Datum uitspraak
8 juni 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
08/05201
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMArt. 81 RO
Verwijzingen
4 uitgaand · 3 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vermindering gevangenisstraf wegens overschrijding redelijke termijn in cassatiefase

De zaak betreft een cassatieberoep van een verdachte die ten tijde van de aanzegging zonder bekende woon- of verblijfplaats in Nederland was en in Brazilië gedetineerd zat. Het hof had een gevangenisstraf van elf jaren en zes maanden opgelegd. De advocaat-generaal concludeerde tot vernietiging van het bestreden arrest uitsluitend wat betreft de strafoplegging en tot vermindering van de straf.

De Hoge Raad oordeelt dat de middelen van cassatie niet leiden tot vernietiging van het arrest behalve het vierde middel, dat gegrond wordt verklaard. Dit middel betrof de overschrijding van de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro, doordat stukken te laat door het hof waren ingezonden in de cassatiefase.

Als gevolg hiervan vermindert de Hoge Raad de opgelegde gevangenisstraf tot elf jaren en drie maanden. Voor het overige wordt het beroep verworpen. De Hoge Raad ziet geen aanleiding tot ambtshalve vernietiging van het arrest.

Het arrest is gewezen door de vice-president en twee raadsheren en uitgesproken op 8 juni 2010.

Uitkomst: De gevangenisstraf is verminderd tot elf jaren en drie maanden wegens overschrijding van de redelijke termijn in de cassatiefase.

Uitspraak

8 juni 2010
Strafkamer
nr. 08/05201
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 21 oktober 2008, nummer 23/000526-04, in de strafzaak tegen:
[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1964, ten tijde van de betekening van de aanzegging zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande.
1. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. B.A.F. van Drimmelen, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Vegter heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, doch uitsluitend wat betreft de strafoplegging, tot vermindering daarvan en tot verwerping van het beroep voor het overige.
2. Beoordeling van het eerste, het tweede en het derde middel
De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO Pro, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
3. Beoordeling van het vierde middel
3.1. Het middel behelst de klacht dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden omdat de stukken te laat door het Hof zijn ingezonden.
3.2. Het middel is gegrond. Dit moet leiden tot vermindering van de aan de verdachte opgelegde gevangenisstraf van elf jaren en zes maanden.
4. Slotsom
Nu de Hoge Raad geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat als volgt moet worden beslist.
5. Beslissing
De Hoge Raad:
vernietigt de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;
vermindert de opgelegde gevangenisstraf in die zin dat deze elf jaren en drie maanden beloopt;
verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren H.A.G. Splinter-van Kan en C.H.W.M. Sterk, in bijzijn van de waarnemend griffier S.C. Rusche, en uitgesproken op 8 juni 2010.