ECLI:NL:HR:2010:BM3636
Hoge Raad
- Cassatie
- J.P. Balkema
- J. de Hullu
- C.H.W.M. Sterk
- Rechtspraak.nl
Cassatieberoep verworpen ondanks overschrijding redelijke termijn in strafzaak
In deze strafzaak stelde de verdachte cassatieberoep in tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage. De Advocaat-Generaal concludeerde tot vernietiging van het arrest alleen voor zover het de straf betrof, met vermindering van de straf, maar verwerping van het beroep voor het overige.
De Hoge Raad beoordeelde twee middelen. Het eerste middel werd niet verder gemotiveerd omdat het niet tot cassatie kon leiden. Het tweede middel betrof de klacht dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM was overschreden in de cassatiefase doordat stukken te laat waren ingezonden.
De Hoge Raad stelde vast dat de redelijke termijn inderdaad was overschreden, aangezien meer dan twee jaar waren verstreken sinds het instellen van het cassatieberoep. Gelet op de relatief korte opgelegde gevangenisstraf van vijftien weken, waarvan negen weken voorwaardelijk, achtte de Hoge Raad het niet noodzakelijk om rechtsgevolgen aan de termijnoverschrijding te verbinden.
Uiteindelijk werd het cassatieberoep verworpen. De uitspraak werd gedaan door raadsheren Balkema, de Hullu en Sterk op 8 juni 2010.
Uitkomst: Het cassatieberoep werd verworpen ondanks overschrijding van de redelijke termijn, zonder gevolgen voor de opgelegde straf.