ECLI:NL:HR:2010:BM4363
Hoge Raad
- Cassatie
- A.J.A. van Dorst
- J. de Hullu
- C.H.W.M. Sterk
- Rechtspraak.nl
Beoordeling ontvankelijkheid benadeelde partij in voeging strafproces
In deze strafzaak stond de ontvankelijkheid van de benadeelde partij centraal. De benadeelde partij had zich in eerste aanleg niet op de wettelijk voorgeschreven wijze gevoegd, waardoor de rechtbank hem niet ontvankelijk verklaarde in zijn schadevordering. In hoger beroep voegde de benadeelde partij zich opnieuw met een gespecificeerde vordering van € 3.160,79.
Het hof oordeelde dat dit gedeelte van de vordering eenvoudig van aard was en behandelde deze in het strafproces. Het hof kende een bedrag van € 691,59 toe voor de waarde van gestolen goederen en een deel van het ontvreemde geld. Tevens legde het hof een betalingsverplichting op aan de verdachte ten behoeve van het slachtoffer.
De verdachte stelde in cassatie dat het hof ten onrechte de benadeelde partij ontvankelijk had verklaard. De Hoge Raad verwierp dit middel en bevestigde dat het hof juist had geoordeeld dat de voeging in eerste aanleg en in hoger beroep conform de wettelijke bepalingen had plaatsgevonden. Het cassatieberoep werd verworpen.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de ontvankelijkheid van de benadeelde partij in zijn schadevordering.