Conclusie
‘feitelijke aanranding van de eerbaarheid’en
‘mishandeling’tot een taakstraf van 60 uur, subsidiair 30 dagen jeugddetentie. Voorts heeft het hof de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij toegewezen en aan de verdachte de schadevergoedingsmaatregel opgelegd, een en ander zoals in het arrest omschreven.
eerste middelklaagt dat het hof in strijd met art. 359, tweede lid, Sv heeft nagelaten in het bijzonder de redenen op te geven waarom het is afgeweken van het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt van de verdediging dat geen sprake was van ontuchtig handelen in de zin van art. 246 Sr Pro.
‘in het bijzonder’is ingegaan op het (uitdrukkelijk onderbouwde) standpunt van de verdediging dat geen sprake was van ontuchtig handelen in de zin van art. 246 Sr Pro.
‘plotseling’heeft beetgepakt en erin heeft geknepen. De aangeefster schrok hiervan en heeft de verdachte gezegd dat hij
‘moest opdonderen’. Voorts hebben twee getuigen deze gang van zaken bevestigd. Het hof overweegt dat de verdachte daarmee een sociaal ethische norm heeft overschreden en heeft gehandeld in strijd met de goede zeden en de grenzen van de betamelijkheid.
‘bij wijze van grap’de borsten van de aangeefster heeft aangeraakt, ontneemt niet het ontuchtige karakter van zijn gedraging. De intentie van de verdachte doet in een geval als onderhavig niet ter zake. Immers, dat het betasten van de borsten van een hem onbekende vrouw volgens de verdachte ‘een grap’ betrof, kan voor dergelijk gedrag geen vrijbrief zijn. De bescherming van de lichamelijke integriteit die art. 246 Sr Pro beoogt te bieden, zou anders danig in het gedrang komen. [5] Dat de verdachte met zijn gedrag de sociaal-ethische normen heeft overschreden, behoeft gezien het voorgaande geen nadere toelichting dan het hof heeft gegeven.
waaromhet van oordeel was dat verdachte’s gedraging als ontuchtig te gelden zou hebben, miskent de steller van het middel dat het hof is uitgegaan van de juistheid van onder meer de verklaring van de aangeefster, waaruit blijkt dat de verdachte met beide handen de borsten van aangeefster heeft beetgepakt en erin heeft geknepen en dat het hof op basis daarvan heeft geoordeeld dat de verdachte de borsten van aangeefster op een zodanige wijze heeft aangeraakt dat verdachte de sociaal ethische norm heeft overschreden en heeft gehandeld in strijd met de goede zeden en de grenzen van de betamelijkheid en voorts dat de wijze van aanraken mede bestond uit het knijpen in de borsten. Die motivering lijkt mij voldoende. Het hof heeft het in het middel bedoelde verweer dan ook op goede gronden en toereikend gemotiveerd verworpen.