ECLI:NL:HR:2010:BM4424
Hoge Raad
- Cassatie
- F.H. Koster
- J.W. Ilsink
- M.A. Loth
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid verdachte wegens niet-indienen middelen van cassatie
Op 21 december 2010 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in het cassatieberoep van verdachte tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage. Verdachte had beroep in cassatie ingesteld, maar heeft niet binnen de wettelijk voorgeschreven termijn schriftuur houdende middelen van cassatie ingediend via een raadsman.
De Advocaat-Generaal had geconcludeerd dat verdachte niet-ontvankelijk verklaard moest worden. De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en stelde vast dat het voorschrift van artikel 437, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering niet was nageleefd. Hierdoor kon verdachte niet in het beroep worden ontvangen.
De Hoge Raad verklaarde het beroep van verdachte niet-ontvankelijk, waarmee het cassatieberoep werd afgewezen zonder inhoudelijke behandeling van de zaak.
Uitkomst: Verdachte wordt niet-ontvankelijk verklaard in het cassatieberoep wegens het niet indienen van schriftuur houdende middelen van cassatie.