ECLI:NL:HR:2010:BM5128
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Beëindiging schuldsanering wegens nieuwe schuld en niet-nakoming afdrachtplicht
In deze zaak stond de tussentijdse beëindiging van de toepassing van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen (WSNP) centraal. De schuldenaar had nieuwe schulden laten ontstaan en voldeed niet aan zijn afdrachtplicht, zoals bedoeld in artikel 350 lid Pro 3 F van de Faillissementswet.
De rechtbank 's-Gravenhage had op 10 december 2009 een vonnis gewezen, waarna het gerechtshof te 's-Gravenhage op 9 februari 2010 het arrest uitbracht dat aan deze uitspraak ten grondslag ligt. Tegen dit arrest werd cassatie ingesteld door de schuldenaar en diens medestanders.
De Hoge Raad oordeelde dat de aangevoerde klachten niet tot cassatie konden leiden en dat geen nadere motivering nodig was omdat de klachten geen rechtsvragen opriepen die van belang zijn voor de rechtseenheid of rechtsontwikkeling. Daarom werd het cassatieberoep verworpen en bleef de tussentijdse beëindiging van de schuldsanering in stand.
De uitspraak bevestigt dat het ontstaan van nieuwe schulden en het niet nakomen van de afdrachtplicht voldoende gronden zijn voor het beëindigen van de schuldsanering, waarmee het belang van naleving van de voorwaarden van de WSNP wordt onderstreept.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de tussentijdse beëindiging van de schuldsanering blijft in stand.