ECLI:NL:HR:2010:BM7501
Hoge Raad
- Cassatie
- F.H. Koster
- C.H.W.M. Sterk
- M.A. Loth
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt niet-ontvankelijkheid beroep cassatie tegen geldboete voor valse naamverstrekking
De zaak betreft een cassatieberoep van een verdachte die was veroordeeld door het Gerechtshof te 's-Gravenhage voor het opgeven van een valse naam aan het bevoegd gezag, een overtreding waarvoor een geldboete van €95,- was opgelegd. De verdachte was ten tijde van de aanzegging zonder bekende woon- of verblijfplaats.
De Hoge Raad beoordeelde allereerst de ontvankelijkheid van het beroep en verklaarde de verdachte niet-ontvankelijk voor zover het beroep gericht was tegen de beslissing over het onder 5 tenlastegelegde feit, conform artikel 427, tweede lid, Sv. Voor het overige werd het beroep verworpen.
Het middel van cassatie werd niet inhoudelijk behandeld omdat het niet tot cassatie kon leiden en geen rechtsvragen van belang voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling bevatte. De uitspraak bevestigt daarmee de eerdere veroordeling en de toepassing van de wettelijke bepalingen omtrent het verstrekken van valse persoonsgegevens aan het bevoegd gezag.
De uitspraak werd op 14 september 2010 gedaan door de Strafkamer van de Hoge Raad, waarbij de vice-president F.H. Koster als voorzitter en raadsheren C.H.W.M. Sterk en M.A. Loth betrokken waren.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart de verdachte niet-ontvankelijk voor het beroep tegen de geldboete en verwerpt het beroep voor het overige.