ECLI:NL:HR:2010:BM8933
Hoge Raad
- Cassatie
- D.H. Beukenhorst
- J.C. van Oven
- W.A.M. van Schendel
- C.A. Streefkerk
- W.D.H. Asser
- F.B. Bakels
- Rechtspraak.nl
Uitleg en duur van opstalrecht bij benzinestation en bewijslevering over partijbedoeling
In deze zaak staat de uitleg van een opstalrecht centraal dat is gevestigd op een perceel met een benzinestation. Partijen zijn het oneens over de duur van het opstalrecht en de toepassing van een rendementsclausule die het recht beëindigt indien het rendement onder 30% van de actuele grondwaarde daalt.
De rechtbank en het hof oordeelden dat het opstalrecht per 1 maart 2003 is geëindigd omdat het nieuwe huurcontract met Shell een lager rendement oplevert dan de clausule voorschrijft. Het hof wees bewijslevering over de werkelijke partijbedoeling af en stelde dat de notariële akte dwingend bewijs levert, waartegen geen plaats is voor tegenbewijs.
De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof en benadrukt dat tegenbewijs tegen de inhoud van de notariële akte mogelijk is op basis van artikel 151 lid 2 Rv Pro. en de Haviltex-maatstaf. Dit betekent dat de werkelijke bedoeling van partijen bij het sluiten van de overeenkomst onderzocht moet worden, ook als die afwijkt van de akte. De zaak wordt terugverwezen naar het hof voor verdere behandeling.
Daarnaast oordeelt de Hoge Raad dat het beroep van misbruik van bevoegdheid door de eiseres niet zonder meer kan worden verworpen en dat dit verweer nader onderzocht moet worden. De vergoeding voor het gebruik van de onroerende zaak na het einde van het opstalrecht wordt vastgesteld vanaf 1 mei 2005, de datum waarop het rendement onder de drempel werd vastgesteld.
De Hoge Raad veroordeelt verweerster in de kosten van het geding in cassatie en wijst het incidentele cassatieberoep af.
Uitkomst: Hoge Raad vernietigt hofarresten en verwijst zaak terug voor nader onderzoek naar werkelijke partijbedoeling en misbruik van bevoegdheid.