ECLI:NL:HR:2010:BM9088

Hoge Raad

Datum uitspraak
24 september 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
09/02062
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Huurrechtelijke opzegging bedrijfsruimte bij contractsovername

In deze zaak stond centraal of een opzegging van huur van een bedrijfsruimte door de vorige huurder tijdens de eerste huurtermijn ook geldt als opzegging door degene die door contractsovername huurder is geworden. De zaak betrof een geschil tussen eiser en de Staat der Nederlanden over de rechtsgeldigheid van een dergelijke opzegging.

De procedure begon bij de kantonrechter te Helmond met vonnissen in 2007 en 2008, waarna het gerechtshof te 's-Hertogenbosch in 2009 arrest wees. Tegen dat arrest werd cassatie ingesteld bij de Hoge Raad. De Hoge Raad verwees naar de eerdere uitspraken en concludeerde dat de klachten van eiser niet tot cassatie konden leiden.

De Hoge Raad oordeelde dat de opzegging door de vorige huurder tijdens de eerste termijn ook geldt als opzegging door de contractsovernemer, zonder nadere motivering omdat de klachten niet leidden tot beantwoording van rechtsvragen van belang voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling. Het beroep werd verworpen en eiser werd veroordeeld in de kosten van het cassatiegeding.

Uitkomst: Het cassatieberoep werd verworpen en de opzegging door de vorige huurder geldt als opzegging door de contractsovernemer.

Uitspraak

24 september 2010
Eerste Kamer
09/02062
RM/MD
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
1. [Eiser 1],
2. [Eiser 2],
beiden wonende te [woonplaats],
EISERS tot cassatie,
advocaat: mr. B.T.M. van der Wiel,
t e g e n
DE STAAT DER NEDERLANDEN, de Rijksgebouwendienst van het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,
zetelende te 's-Gravenhage,
VERWEERDER in cassatie,
advocaat: aanvankelijk mr. D. Stoutjesdijk, thans mr. M.E.M.G. Peletier.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [eiser] c.s. en de Staat.
1. Het geding in feitelijke instanties
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
a. de vonnissen in de zaak 480939 (rolnummer 3669/06) van de kantonrechter te Helmond van 12 september 2007 en 9 januari 2008;
b. het arrest in de zaak HD 103.006.101 van het gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 10 februari 2009.
Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het arrest van het hof hebben [eiser] c.s. beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staat heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten en voor [eiser] c.s. mede door mr. M.W.E. Lohman, advocaat bij de Hoge Raad.
De conclusie van de Advocaat-Generaal J.L.R.A. Huydecoper strekt tot verwerping.
De advocaat van [eiser] c.s. heeft bij brief van 2 juli 2010 op die conclusie gereageerd.
3. Beoordeling van het middel
De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO Pro, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt [eiser] c.s. in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van de Staat begroot op € 384,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, J.C. van Oven en W.A.M. van Schendel, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer F.B. Bakels op 24 september 2010.