ECLI:NL:HR:2010:BN0333
Hoge Raad
- Herziening
- F.H. Koster
- J.P. Balkema
- W.M.E. Thomassen
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid van herzieningsverzoek wegens persoonsverwisseling
De zaak betreft een verzoek tot herziening van een vonnis van de Rechtbank te Groningen van 29 oktober 2002, waarin een andere verdachte was veroordeeld voor overtredingen van de Opiumwet. De aanvrager stelde dat sprake was van persoonsverwisseling en verzocht om herziening van het vonnis dat ten onrechte op hem zou zijn toegepast.
De Advocaat-Generaal concludeerde dat het verzoek ongegrond was omdat het vonnis niet tegen de aanvrager was gewezen, maar tegen een andere persoon, die ook daadwerkelijk was veroordeeld en tegen wie het vonnis was geëxecuteerd. Hierdoor kon de aanvrager niet worden beschouwd als veroordeelde in de zin van artikel 458, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering.
De Hoge Raad volgde deze conclusie en verklaarde het verzoek tot herziening niet-ontvankelijk. Dit betekent dat de procedure niet inhoudelijk werd behandeld omdat de aanvrager niet de juiste partij was om het verzoek in te dienen. Het arrest werd uitgesproken op 6 juli 2010 door de Strafkamer van de Hoge Raad.
Uitkomst: Het verzoek tot herziening wordt niet-ontvankelijk verklaard vanwege het ontbreken van de juiste partij.