ECLI:NL:HR:2010:BN1396
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Verwerping cassatieberoep wegens verstrijken geldigheid ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing minderjarige
In deze zaak stond de verlenging van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige centraal. De rechtbank had bij beschikking van 18 mei 2009 de ondertoezichtstelling verlengd tot 19 mei 2010 en de machtiging tot uithuisplaatsing tot en met 31 december 2009. Het gerechtshof bekrachtigde deze beschikking bij vonnis van 17 november 2009, waarbij het meer of anders verzochte werd afgewezen.
De moeder, verzoekster tot cassatie, stelde beroep in cassatie in tegen het vonnis van het hof. Bureau Jeugdzorg, verweerder in cassatie, heeft geen verweerschrift ingediend. De conclusie van de plaatsvervangend Procureur-Generaal strekte tot niet-ontvankelijkverklaring van de moeder wegens gebrek aan belang.
De Hoge Raad oordeelde dat aangezien de geldigheidsduur van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing inmiddels was verstreken op respectievelijk 19 mei 2010 en 1 januari 2010, de moeder geen belang meer had bij haar cassatieberoep. Daarom werd het cassatieberoep verworpen. De procedure werd gevoerd met inachtneming van de relevante beschikkingen van rechtbank en hof en de wettelijke regels omtrent ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen wegens gebrek aan belang omdat de geldigheidsduur van de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing was verstreken.