ECLI:NL:HR:2010:BN4151

Hoge Raad

Datum uitspraak
26 oktober 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
08/03027
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • A.J.A. van Dorst
  • J.W. Ilsink
  • H.A.G. Splinter-van Kan
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 ROWet op de kansspelen
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad vernietigt arrest wegens onvoldoende motivering vergunning kansspelen

De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam waarin verdachte werd bewezen verklaard dat hij in de periode van februari 2004 tot september 2006 zonder vergunning gelegenheid gaf tot deelname aan de Lotto, een kansspel.

Het bewijs bestond uit verklaringen van verdachte, verklaringen van betrokkenen, proces-verbalen van de Belastingdienst, afgeluisterde telefoongesprekken en andere bewijsmiddelen. De verdediging stelde onder meer dat niet duidelijk was dat verdachte geen vergunning had.

De Hoge Raad oordeelde dat uit de gebruikte bewijsmiddelen niet zonder meer kon worden afgeleid dat verdachte telkens geen vergunning had ingevolge de Wet op de kansspelen. Hierdoor ontbrak het aan een deugdelijke motivering van de bewezenverklaring op dit punt.

Daarom vernietigde de Hoge Raad het arrest voor zover het de straf betrof en verwees de zaak terug naar het hof Amsterdam voor een nieuwe berechting op het bestaande hoger beroep. De overige middelen werden verworpen omdat zij geen rechtsvragen opriepen die beantwoording behoefden.

Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde berechting.

Uitspraak

26 oktober 2010
Strafkamer
Nr. 08/03027
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam, zitting houdende te Arnhem, van 27 mei 2008, nummer 21/002446-07, in de strafzaak tegen:
[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1946, wonende te [woonplaats].
1. Geding in cassatie
1.1. Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. G. Spong, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Machielse heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest, doch uitsluitend ten aanzien van de opgelegde straf, tot vermindering van die straf en tot verwerping van het beroep voor het overige.
1.2. De raadsman heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.
2. Beoordeling van het eerste en het tweede middel
De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO Pro, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
3. Beoordeling van het vierde middel
3.1. Het middel klaagt dat wat betreft het onder 2 bewezenverklaarde feit niet uit de gebezigde bewijsmiddelen kan volgen dat de verdachte niet beschikte over een vergunning ingevolge de Wet op de kansspelen.
3.2.1. Ten laste van de verdachte is onder 2 bewezenverklaard dat:
"hij in de periode van 2 februari 2004 tot en met 5 september 2006 te Utrecht, meermalen opzettelijk gelegenheid heeft gegeven om door middel van het kansspel Lotto mede te dingen naar prijzen of premies waarbij de aanwijzing der winnaars geschiedde door enige kansbepaling waarop de deelnemers in het algemeen geen overwegende invloed konden uitoefenen, terwijl daarvoor telkens geen vergunning ingevolge de Wet op de kansspelen was verleend."
3.2.2. Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:
1. de verklaring van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep, voor zover inhoudende:
"Ik heb in de periode van 2 februari 2004 tot en met 5 september 2006 in Utrecht voor vrienden en familie de Lotto gespeeld. Ik speelde bijvoorbeeld voor [betrokkene 6] uit Noordwijk. [Betrokkene 3] kwam op woensdagmiddag langs als ik niet thuis was. Hij vroeg mijn vrouw dan of ik voor iemand wilde spelen. Ik belde vervolgens iemand op uit Duitsland om de Duitse Lotto te spelen."
2. een proces-verbaal van de Belastingdienst, opgemaakt door de buitengewoon opsporingsambtenaren [verbalisant 1] en [verbalisant 2], voor zover inhoudende als relaas van de verbalisanten:
"Vraag verbalisanten: Van wie is het telefoonnummer 06-[001]?
Antwoord: Dat telefoonnummer is van mij. Dat nummer heb ik denk ik al wel 15 à 20 jaar.
Vraag verbalisanten: Wie maakt er, naast uzelf, gebruik van deze telefoon?
Antwoord: Alleen ik maak gebruik van het telefoonnummer 06-[001] en verder niemand.
Mededeling verbalisanten: Door de FIOD-ECD is met toestemming van de officier van justitie de telefoonaansluiting 06-[001] afgeluisterd.
A.
Op 4 maart 2006 om 12.38 uur is een telefoongesprek opgenomen tussen [verdachte] (telefoonnummer 06-[001] van verdachte) en een NN-man. [Verdachte] belt uit met 06-[006]. Wij lezen het gesprek voor:
De gebelde neemt op en noemt de beller [verdachte].
J= [verdachte], G = gebelde.
G: [verdachte], goedemiddag.
J: Ja, goedemiddag, met [verdachte].
G: Ja, maar toch niet op Parijs he?
J: Ja, ik bel voor Parijs.
G: Ja, maar die kan niet meer gespeeld worden joh.
J: Kan die niet meer gespeeld worden?
G: Nee, nee. Ik krijg net een berichtje.
J: Ook niet met [...] uit [plaats]?
G: He? Nee die heeft 'ie gisteravond....
J: O, heeft 'ie gisteravond jou al afgebeld. Ok.
G: Ja die heeft, hij stuurt me net een berichtje.
J: O, ken wel in de T-stand (fon.) zeker?
G: Nee, helemaal niet meer, is helemaal van de lijst af.
J: Helemaal van de lijst af. Ok.
G: Ja?
J: Ja.
G: Hoi.
(...)
B.
Op 29 maart 2006 om 13.22 uur is een telefoongesprek opgenomen tussen [verdachte] en [betrokkene 3]. Wij lezen het gesprek voor:
[verdachte] wordt bedankt door [betrokkene 3], voor een prestatie van gisteravond. [Betrokkene 3] heeft iets bij [verdachte] door de bus gegooid, een 4-span en meerdere 3-spannen. [Verdachte] zal het wel zien."
3. een proces-verbaal van de Belastingdienst, voor zover inhoudende als verklaring van de verdachte:
"Naar aanleiding van Tap B-02-02 (het gesprek onder 1 aangeduid met A) vraagt u mij of ik ene [betrokkene 6] uit Noordwijk ken. Ja, [betrokkene 6] uit Noordwijk ken ik wel. Hij belde mij wel eens als hij wist dat de wedstrijd niet meer op de lijst stond. Hij vroeg mij dan of ik kon spelen op die wedstrijd. Naar aanleiding van Tap B-27-01 (het gesprek onder 1 aangeduid met B) vraagt u mij naar het telefoongesprek tussen [betrokkene 3] en mij. [Betrokkene 3] is ook zo'n gozer die wel eens wil spelen. Hij geeft mij nummers op en maakt een spel dat ik weer voor hem wegzet."
4. een proces-verbaal van de Belastingdienst, voor zover inhoudende als verklaring van [betrokkene 4]:
"U vraagt mij naar de rol van mijn echtgenoot [verdachte] bij het organiseren van illegale kansspelen. U vraagt mij wat de reden is dat [betrokkene 3] aan mij getallen doorgeeft. Het kan best dat dat voor het Lotto-spel is. Ik schrijf die nummers op voor mijn man. Ik zeg tegen mijn man dat [betrokkene 3] heeft gebeld en dan geef ik die nummers door aan mijn man. Ik noteer die nummers en als er wat door de brievenbus wordt gegooid dan geef ik dat aan mijn man."
5. vier verslagen van afgeluisterde telefoongesprekken, voor zover inhoudende:
"TAP B-16-01, gespreksnummer 233, tijd 13.57, nummer 06[002]: [verdachte] wordt gebeld door [betrokkene 5]. [Betrokkene 5] zegt dat [verdachte] de nummers op moet schrijven, 2, 3, 26 voor 200, 2, 3, 8 voor 100, 2, 3, 23 voor 100 en 2,3, 11 voor 100.
TAP B-16-01, gespreksnummer 239, tijd 15.55, nummer 06[003]: [verdachte] geeft door: 5, 32, 41 voor 50. 7, 9 16 voor 75. 9, 16 voor 100 en 5, 9, 16 voor 80. [verdachte] zegt: ik heb [medeverdachte 2] 2, 3, 26 gegeven voor 50.
TAP B-16-01, gespreksnummer 243, tijd 16.47, nummer 06[004]: [verdachte] belt naar [medeverdachte 2]. [medeverdachte 2] geeft door 3, 12, 45 voor 200 rond en 7, 10, 13 voor 200 rond.
TAP B-16-01, gespreksnummer 245, tijd 16.51, nummer 06[005]: [Betrokkene 7 geeft door: 3, 18,21 voor 50."
3.3. Aangezien uit de gebezigde bewijsmiddelen niet zonder meer kan worden afgeleid dat aan de verdachte "telkens geen vergunning ingevolge de Wet op de kansspelen was verleend", zoals onder 2 is bewezenverklaard, is de bestreden uitspraak in zoverre niet naar de eis der wet met redenen omkleed.
3.4. Het middel is terecht voorgesteld.
4. Slotsom
Hetgeen hiervoor is overwogen brengt mee dat de overige middelen geen bespreking behoeven en als volgt moet worden beslist.
5. Beslissing
De Hoge Raad:
vernietigt de bestreden uitspraak;
wijst de zaak terug naar het Gerechtshof te Amsterdam, zitting houdende te Arnhem, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.
Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren J.W. Ilsink en H.A.G. Splinter-van Kan, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken op 26 oktober 2010.