ECLI:NL:HR:2010:BN4324

Hoge Raad

Datum uitspraak
12 oktober 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
09/01385
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • F.H. Koster
  • B.C. de Savornin Lohman
  • W.M.E. Thomassen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 435 SvArt. 81 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling rechtsgeldigheid betekening appeldagvaarding bij verblijfplaats in buitenland

In deze zaak stond centraal de vraag of de betekening van de appeldagvaarding rechtsgeldig was, terwijl de verdachte zonder bekende woon- of verblijfplaats in Nederland verbleef en was vertrokken naar het buitenland. Het Gerechtshof Amsterdam had geoordeeld dat de betekening rechtsgeldig was.

De verdachte stelde in cassatie dat het Hof onvoldoende had onderzocht of navraag was gedaan bij de gemeente of de verdachte bij zijn vertrek de benodigde adresgegevens had opgegeven. De Hoge Raad bevestigde dat het Hof eerst navraag had moeten doen bij de gemeente alvorens aan te nemen dat de verblijfplaats in het buitenland niet bekend was.

Echter, de Hoge Raad stelde vast dat de verdachte bij zijn vertrek geen adresgegevens had verstrekt, waardoor het ontbreken van navraag niet tot cassatie leidt. Het cassatieberoep werd daarom verworpen en de zaak werd niet vernietigd.

De uitspraak benadrukt het belang van het verstrekken van juiste adresgegevens door de verdachte en de zorgvuldigheid die het Hof moet betrachten bij de beoordeling van de betekening van processtukken.

Uitkomst: Het cassatieberoep van verdachte wordt verworpen en de rechtsgeldigheid van de betekening van de appeldagvaarding wordt bevestigd.

Uitspraak

12 oktober 2010
Strafkamer
nr. 09/01385
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een bij verstek gewezen arrest van het Gerechtshof te Amsterdam, Enkelvoudige Kamer, van 6 juli 2007, nummer 23/003722-06, in de strafzaak tegen:
[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1963, ten tijde van de betekening van de aanzegging zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande.
1. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben mr. G. Meijers en mr. P. Scholte, beiden advocaat te Amsterdam bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Vegter heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof te Amsterdam teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.
2. Beoordeling van het middel
2.1. Het middel klaagt over het in de bestreden uitspraak besloten liggende oordeel van het Hof dat de appeldagvaarding rechtsgeldig is betekend.
2.2. Het procesverloop - voor zover in cassatie van belang - is weergegeven in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 4.
2.3. Nu de aan het Hof ter beschikking staande GBA-gegevens inhouden dat de verdachte is vertrokken naar een ander land mocht door het Hof eerst dan worden aangenomen dat zijn woon- of verblijfplaats in het buitenland niet bekend was, indien bij de desbetreffende gemeente - zonder resultaat - navraag was gedaan of de verdachte bij zijn vertrek de voor de uitreiking van gerechtelijke mededelingen benodigde adresgegevens heeft opgegeven en of die gegevens zijn geadministreerd. Voor zover het middel klaagt dat niet blijkt dat deze navraag is gedaan, is het terecht voorgesteld.
Dit behoeft evenwel niet tot cassatie te leiden nu de Hoge Raad bij zijn onderzoek naar de naleving van art. 435, eerste lid, Sv heeft vastgesteld dat de verdachte bij zijn vertrek die gegevens niet heeft opgegeven.
2.4. Ook overigens kan het middel niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO Pro, geen nadere motivering nu het middel in zoverre niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
3. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren B.C. de Savornin Lohman en W.M.E. Thomassen, in bijzijn van de waarnemend griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken op 12 oktober 2010.