AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Hoge Raad bevestigt geldigheid oproeping en wijst verzoeken tot getuigenverhoren af in witwaszaak
In deze zaak staat de geldigheid van de oproeping van de verdachte centraal, die in hoger beroep is veroordeeld voor medeplegen van witwassen. De verdachte was niet ingeschreven op een Nederlands adres en verbleef vermoedelijk in het buitenland, met adressen in Portugal en de Verenigde Staten. De oproeping voor de terechtzittingen werd verzonden naar het BRP-adres in Portugal, een adres in Nederland waar een familielid woonde en later ook naar een adres in de Verenigde Staten.
De verdediging voerde aan dat de oproeping niet rechtsgeldig was, omdat deze niet aan de verdachte persoonlijk was betekend, de adressen niet actueel waren en de oproeping naar het Amerikaanse adres te laat was verzonden. De Hoge Raad oordeelt echter dat de oproeping rechtsgeldig is geschied op basis van het BRP-adres in Portugal en de uitreiking aan een huisgenoot in Nederland, en dat de latere verzending naar de VS slechts ten overvloede was.
Daarnaast zijn verzoeken van de verdediging om getuigen te horen afgewezen. De meeste verzoeken waren onvoldoende gemotiveerd, en de toegewezen getuigen konden niet binnen een aanvaardbare termijn worden gehoord vanwege onvindbaarheid en gebrek aan medewerking van buitenlandse autoriteiten. De Hoge Raad bevestigt dat het belang van een spoedige berechting prevaleert boven het belang van de verdachte om zijn aanwezigheidsrecht uit te oefenen, gezien het ontbreken van maatregelen door de verdachte om bereikbaar te zijn.
Het arrest van het hof wordt vernietigd voor zover het de opgelegde gevangenisstraf betreft, die wordt verminderd volgens de gebruikelijke maatstaf, maar het beroep wordt voor het overige verworpen. De Hoge Raad wijst het verzoek om aanhouding van de zaak af en bevestigt de afwijzing van getuigenverzoeken.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest deels voor strafvermindering, bevestigt de geldigheid van de oproeping en wijst verzoeken tot het horen van getuigen af.
Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer21/04541
Zitting12 december 2023
CONCLUSIE
B.F. Keulen
In de zaak
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1974,
hierna: de verdachte
De verdachte is bij arrest van 18 oktober 2021 door het gerechtshof Den Haag wegens ‘medeplegen van witwassen, meermalen gepleegd’ veroordeeld tot tien maanden gevangenisstraf, waarvan vijf maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren en met aftrek van voorarrest als bedoeld in art. 27, eerste lid, Sr. Het hof heeft daarnaast de teruggave aan de verdachte gelast van een geldbedrag van € 1.460,-.
Er bestaat samenhang met de zaken 21/04540, 21/04544, 21/04426 en 21/04476. In de eerste drie zaken zal ik vandaag ook concluderen. In de zaak 21/04476 is op 7 november 2023 arrest gewezen door Uw Raad.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. P.M. Rombouts, advocaat te Amsterdam, heeft drie middelen van cassatie voorgesteld.
Het eerste middel bevat de klacht dat het hof ten onrechte, althans onvoldoende gemotiveerd, het verweer strekkende tot nietigverklaring van de (betekening van de) oproeping om ter zitting te verschijnen heeft afgewezen. Voordat ik dit middel bespreek, geef ik eerst informatie weer die uit de stukken van het geding is af te leiden, en ga ik in op de wettelijke regeling van en rechtspraak inzake betekening in het buitenland.
De stukken van het geding
5. Uit de aan de Hoge Raad gezonden stukken die op de betekening betrekking hebben blijkt het volgende:
- Uit een informatiestaat SKDB-persoon van 8 juli 2021 blijkt dat verdachte tot 4 december 2012 in Nederland ingeschreven was op het adres [g-straat 1] , [plaats] ;
- Vanaf 4 december 2012 is verdachte volgens diezelfde informatiestaat SKDB-persoon in Nederland uitgeschreven en is als BRP-adres van de verdachte een adres in Portugal bekend, te weten het adres [q-straat 1] , [plaats] ;
- De oproeping voor de terechtzitting van 14, 17, 21 en 23 september en 4 oktober 2021 is (in de Nederlandse taal) op 26 juli 2021 op het adres [g-straat 1] , [plaats] niet in persoon aan de verdachte betekend, doch uitgereikt aan een ander dan de verdachte, te weten ‘ [betrokkene 53] ’;
- De oproeping voor de terechtzitting van 14, 17, 21 en 23 september en 4 oktober 2021 is voorts (in de Nederlandse taal) op 8 juli 2021 uitgereikt aan een medewerker van het openbaar ministerie en verzonden naar het adres [q-straat 1] – [plaats] ;
- Een vertaling van voornoemde oproeping in het Punjabi is, gelet op de daarop geplaatste paraaf en dagtekening, op 16 augustus 2021 als afschrift verzonden naar de hiervoor genoemde adressen in [plaats] en [plaats] ;
- De oproeping voor de terechtzitting van 14, 17, 21 en 23 september en 4 oktober 2021 is voorts (in de Nederlandse taal met bijgevoegd het afschrift in het Punjabi) op 9 september 2021 uitgereikt aan een medewerker van het openbaar ministerie en verzonden naar het adres [t-straat 1] , [plaats] in de Verenigde Staten.
6. Bij de aan de Hoge Raad gezonden stukken bevinden zich daarnaast nog een aantal stukken die van belang zijn voor de beoordeling van het middel. Allereerst betreft dit een e-mail van 3 januari 2017 van mr. Rombouts aan de griffier van de raadsheer-commissaris met als onderwerp ‘Getuigenverhoren inzake Yox’. Deze e-mail houdt onder meer het volgende in:
‘U heeft mij benaderd om de verhoren in de zaak Yox in te plannen en wij spraken af dat ik u daarvoor mijn verhinderdata van half februari t/m eind maart zou geven. (…)
Verder dienen nog te worden gehoord [verdachte] en [betrokkene 57] . Van [verdachte] zijn de adresgegevens reeds bekend naar ik van u begreep. Sterker nog, er is reeds een rechtshulpverzoek aan de VS uitgegaan om hem te horen in de zaken tegen [betrokkene 58] en [betrokkene 59] . (…)’
7. Het dossier bevat voorts een Bijlage A bij een Europees Onderzoeksbevel (Hierna: EOB) dat op 19 maart 2018 is uitgevaardigd door de raadsheer-commissaris en is gericht aan het Verenigde Koninkrijk en dat ertoe strekt [betrokkene 35] als getuige te horen. Als verblijfplaats en/of bekend adres is bij de verdachte als laatst bekende adres vermeld: [t-straat 1] , [plaats] , Verenigde Staten van Amerika.
8. Bij de aan de Hoge Raad gezonden stukken bevindt zich ook een proces-verbaal van bevindingen van de raadsheer-commissaris van 7 september 2021. Dit proces-verbaal houdt onder meer het volgende in:
‘In de strafzaken tegen de verdachten:
(…)
Naam : [verdachte]
Geboren op : [geboortedatum] 1974 te [geboorteplaats]
Wonende te : zonder vaste woon- en/of verblijfplaats hier te lande
(…)
De raadsheer-commissaris constateert:
Het gerechtshof Den Haag heeft ter terechtzitting van 3 juni 2016 de strafzaken van [medeverdachte] en [verdachte] verwezen naar de raadsheer-commissaris voor het horen van getuigen.
In de strafzaak van [medeverdachte] zijn de volgende getuigen toegewezen:
- [verdachte]
(…)
Uit raadpleging van de GBA-gegevens en de ID-staten SKDB bleek dat geen van de getuigen geregistreerd stond op een Nederland adres.
Omdat uit een ander strafrechtelijk onderzoek naar voren was gekomen dat [verdachte] woonachtig is op een adres in de Verenigde Staten van Amerika, is in het kader van dat onderzoek op 18 oktober 2016 een rechtshulpverzoek verstuurd aan de Amerikaanse autoriteiten, inhoudende het horen van [verdachte] als getuige. (…)’
9. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 14, 17, 21 en 23 september 2021 en 4 oktober 2021 houdt, voor zover van belang voor de beoordeling van het middel, het volgende in:
‘ 14 september 2021:
(…)
De raadsman deelt mede:
Voorafgaand aan de vraag of ik gemachtigd ben verzoek ik het hof de geldigheid van de oproeping te onderzoeken.
Mijn cliënt is opgeroepen op het adres te Portugal. Daarvan weten we allemaal dat hij daar woont noch verblijft. Het is dus heel waarschijnlijk dat die oproeping hem niet heeft bereikt. Uit het dossier blijkt dat er ook een adres van hem in de Verenigde Staten bekend is. Voor zover ik weet is naar dat adres geen oproeping verzonden.
Ik verzoek de geldigheid van de oproeping te onderzoeken alvorens de behandeling van de zaak wordt voortgezet.
Daarop deelt de voorzitter mede:
Er is een oproeping verzonden naar het adres in Portugal. Daarnaast zit in het dossier een akte van uitreiking waaruit blijkt dat de oproeping is uitgereikt op het adres [g-straat 1] te [plaats] , waar [betrokkene 53] de oproeping in ontvangst heeft genomen en heeft beloofd deze onmiddellijk aan de geadresseerde te geven. Ten slotte is er onlangs een oproeping verzonden naar het adres in de Verenigde Staten, maar sindsdien zijn er thans nog geen tien dagen verstreken. Zodra de tien dagen zijn verstreken, dan is de verdachte ook op dit adres tijdig opgeroepen.
In reactie daarop deelt de raadsman mede:
Het verwondert mij zeer dat is getracht de oproeping te betekenen op het adres [g-straat 1] , want daar verblijft mijn cliënt niet. Hetzelfde geldt voor de oproeping voor hem als getuige in de zaak van de medeverdachten [medeverdachte] en [betrokkene 52] die naar voornoemd adres is verzonden, waarvan ik geen afschrift heb ontvangen. Het oproepen van mijn cliënt op dat adres is onjuist.
Het lijkt mij dat de oproeping naar het adres in de Verenigde Staten niet tijdig is verzonden. Van mijn cliënt kan niet gevergd worden dat, indien hij in de loop van de week de oproeping zou ontvangen voor een zitting die aanvangt op 14 september 2021, hij volgende week ter zitting kan verschijnen. Afgezien van de voorbereiding die de zaak vergt, is dat niet realistisch gelet op de reisbeperkingen die gelden tussen de Verenigde Staten en Nederland in verband met COVID-19.
Het lijkt dat mijn cliënt niet rechtsgeldig is opgeroepen. Ik vermoed dat hij niet op de hoogte is van de zitting. Mijn cliënt heeft geen contact met mij opgenomen om deze zitting voor te bereiden.
Voorts is van belang dat wordt vastgesteld dat tevens een vertaling is toegezonden.
Ik merk op dat er allerlei zaken niet juist lijken te zijn gegaan in deze zaak. Daar kom ik zo op terug. Gelet op hetgeen de voorzitter zojuist voorhield met betrekking tot de oproeping van mijn cliënt kom ik tot de conclusie dat hij niet rechtsgeldig is opgeroepen.
De voorzitter stelt de advocaat-generaal in de gelegenheid de zaak voor te dragen.
Alvorens de advocaat-generaal de zaak voordraagt deelt de raadsman mede:
Ik verzoek het hof eerst een beslissing te nemen over de geldigheid van de oproeping. Ik krijg de indruk dat het hof wellicht van oordeel is dat.de oproeping rechtsgeldig is betekend zodra tien dagen zijn verstreken na verzending van de oproeping naar het adres in de Verenigde Staten. Dat is onjuist. De zitting kan niet in tweeën worden geknipt, in die zin dat de oproeping voor de eerste dagen niet geldig zou zijn, maar voor de latere dagen wel. Daarnaast is het met deze gang van zaken ook praktisch bezien feitelijk onmogelijk te organiseren voor mijn cliënt om alsdan volgende week ter zitting te verschijnen.
Ik verzoek het hof daar eerst een beslissing over te nemen.
(…)
Daartoe door de voorzitter in de gelegenheid gesteld deelt de advocaat-generaal mede:
De oproeping is niet in persoon betekend op het adres [g-straat 1] te [plaats] . Uit het dossier blijkt dat de verdachte daar heeft gewoond. Vandaar dat de oproeping daar naartoe is gegaan. Ik geloof dat de oproeping door zijn zus in ontvangst is genomen. Zij heeft te kennen gegeven de oproeping door te sturen naar de verdachte. Dat was in juli dit jaar, dus dat betekent dat de verdachte sindsdien op de hoogte was van de zitting en vanaf toen had kunnen regelen om hier vandaag aanwezig te zijn als hij dat had gewild. Nergens blijkt echter uit dat hij dat ook daadwerkelijk had gewild.
Ten aanzien van de oproeping die naar de Verenigde Staten is verstuurd, welk adres op het laatste moment nog bekend is geworden, geldt dat dit niet het GBA-adres betreft. De verzending van deze oproeping was volgens de wet daarom niet vereist.
Ik kom tot de conclusie dat de betekening rechtsgeldig heeft plaatsgevonden.
In reactie daarop deelt de raadsman mede:
Als ik het goed begrijp is mijn cliënt op adressen opgeroepen waarvan we zeker weten dat hij daar niet verblijft. Ten eerste het adres te Portugal: het oproepen op dat adres is volstrekt zinloos en het is vrij onwaarschijnlijk dat die oproeping hem heeft bereikt. Die oproeping is daarom niet geldig zou ik denken. Ten tweede te [plaats] : we weten dat mijn cliënt daar al circa 10 jaar niet meer verblijft. Wellicht verbleef hij daar in een ver verleden wel, maar hij is daar niet woonachtig. De betekening kan daarom niet worden aangemerkt als betekening aan een huisgenoot. Er kan daarom niet worden vastgesteld dat mijn cliënt op de hoogte is van de zitting. Ik weet het ook niet. Het is ook niet voor niets dat er op een later moment alsnog een oproeping is verstuurd naar het adres in de Verenigde Staten. De advocaat-generaal stelt dat dat niet had gehoeven, maar waarom is dat dan gedaan? De bedoeling is dat mijn cliënt op de hoogte raakt van de zitting. De betekening is niet geldig, doordat mijn cliënt is opgeroepen op twee adressen waarvan we weten dat hij daar niet woont en een paar dagen voor de zitting pas een oproeping is verstuurd naar het adres in de Verenigde Staten.
De voorzitter onderbreekt het onderzoek voor beraad.
Na beraad wordt het onderzoek hervat en deelt de voorzitter als beslissing van het hof mede:
De oproeping is op rechtsgeldige wijze betekend. De oproeping heeft plaatsgevonden op het BRP-adres van de verdachte te Portugal. Bovendien is de oproeping betekend op het adres [g-straat 1] te [plaats] . Daarmee is alles gedaan om te bewerkstelligen dat de verdachte daadwerkelijk op de hoogte is van de zitting. Uit de stukken die het hof ontving van het kabinet raadsheer-commissaris bleek dat uit ander onderzoek een adres in de Verenigde Staten van de verdachte bekend is geworden. Uit service overwegingen is besloten, ook naar dat adres een oproeping te laten versturen.
(…)
De voorzitter onderbreekt het onderzoek tot 13.30 uur.
Het onderzoek wordt hervat.
Daartoe door de voorzitter in de gelegenheid gesteld deelt de raadsman mede:
(…)
Daarnaast zou ik graag de betekeningsstukken willen ontvangen. Het hof heeft reeds geoordeeld dat de betekening rechtsgeldig heeft plaatsgevonden, maar er zijn een paar aspecten die ik niet kan toetsen. Zo is het mij niet bekend dat het BRP-adres van mijn cliënt een adres te Portugal betreft. Dit acht ik ook van belang voor het verdere verloop van de procedure. Ik weet ook niets van hoe de betekening aan het adres [g-straat 1] heeft plaatsgevonden. Voor zover ik weet, weet mijn cliënt daar ook niets van. Daarnaast merk ik op dat het openbaar ministerie verantwoordelijk is voor het uitgaan van de oproeping. Het openbaar ministerie wist toch dat een adres van mijn cliënt in de Verenigde Staten bekend was? Ik heb de voorzitter horen zeggen dat op een later moment een oproeping met vertaling naar dit adres is verzonden en dat dit uit service overwegingen is besloten. De vraag is echter wanneer hij die zou kunnen ontvangen en welke mogelijkheden hij dan nog heeft. Mocht het zover komen, dan zal ik mij hierover bij pleidooi ook uitlaten, maar ik acht het ook van belang in het kader van het verzoek om de zaak aan te houden.
(…)
Daartoe door de voorzitter in de gelegenheid gesteld deelt de advocaat-generaal in reactie op de raadsman mede:
(…)
Het openbaar ministerie was niet op de hoogte van het adres van de verdachte in de Verenigde Staten. In het proces-verbaal van de raadsheer-commissaris van 7 september 2021 is opgenomen dat er kennelijk een adres in de Verenigde Staten is waar [verdachte] bereikt kon worden. Daar staat echter geen adres in. Dit had het openbaar ministerie wel kunnen nagaan bij het kabinet, maar dat heb ik niet gedaan.
(…)
In reactie op de advocaat-generaal deelt de raadsman mede:
(…)
Naar aanleiding van de opmerking van de advocaat-generaal dat zij niet bekend was met het adres van de Verenigde Staten, komt bij mij de vraag op wat er dan in de onderliggende stukken van de raadsheer-commissaris staat met betrekking tot het horen van [verdachte] als getuige in de zaak van de medeverdachten. Er moet toch ook vóór 7 september jl. verslag zijn gedaan en er moet toch een rechtshulpverzoek aanwezig zijn waarop het adres staat? Ik heb er geen kennis van kunnen nemen, maar veronderstel dat het openbaar ministerie – dat verantwoordelijk is voor de oproepingen – wel inzage heeft in het rechtshulpverzoek. Bovendien kan de advocaat-generaal zich er niet achter verschuilen dat zij niet bekend was met het adres, want zij had hiervan wellicht op de hoogte moeten zijn.
(…)
In reactie daarop deelt de advocaat-generaal mede:
Het adres in de Verenigde Staten van [verdachte] is niet opgenomen in de SKDB-staat. Hij heeft zelf nooit aangegeven waar de autoriteiten hem kunnen bereiken.
(…)
17.september 2021
(…)
De raadsman deelt daarop mede dat hij eerder reeds heeft verzocht om verstrekking van het verwijzingsmapje van de raadsheer-commissaris met de stukken die door de raadsheer-commissaris zijn opgesteld alsmede de betekeningsstukken.
Daarop deelt de advocaat-generaal mede dat zij de betekeningsstukken bij zich heeft en dat de raadsman deze kan inzien.
De raadsman deelt daarop mede dat hij graag een afschrift ontvangt.
De voorzitter onderbreekt daarop het onderzoek voor beraad.
Na beraad wordt het onderzoek hervat en deelt de voorzitter als beslissing van het hof mede:
Het verzoek van de raadsman om de betekeningsstukken in te zien en een afschrift te verkrijgen wordt toegewezen.
Daarop deelt de advocaat-generaal mede dat dit zojuist reeds is gebeurd.
(…)
De voorzitter deelt mede dat het mapje van de raadsheer-commissaris vertrouwelijke informatie tussen landen bevat dat niet bestemd is om verder te verspreiden.
(…)
De advocaat-generaal deelt daarop mede:
Ik beschik ook niet over het mapje van de raadsheer-commissaris en heb ook alleen maar de twee processen-verbaal.
(…)
23.september 2021
(…)
De raadsman voert het woord tot verdediging overeenkomstig zijn overgelegde en in het procesdossier gevoegde pleitnota.
(…)
De advocaat-generaal krijgt de gelegenheid tot repliek en voert daartoe overeenkomstig haar overgelegde en in het dossier gevoegde aantekeningen het woord, voor zover relevant voor de onderhavige zaak. Daarop aanvullend deelt zij mede:
(…)
- Ten aanzien van de vertaling van de oproeping naar het adres te Portugal geldt dat ik mijn stukken aan de raadsman heb gegeven en ik dus niet meer over de betekeningsstukken beschik. Ik heb daarom aan de administratie verzocht om na te gaan of dit is gebeurd. Ik ga er zonder meer van uit dat dit is gebeurd nu ik geen reden heb hieraan te twijfelen. Overigens zou dit materieel niets uitmaken nu de verdediging stelt dat deze oproeping de verdachte toch hoogstwaarschijnlijk niet heeft bereikt.
(…)
De raadsman krijgt de gelegenheid tot dupliek en deelt daarop mede:
Ten aanzien van de betekening dient te worden gekeken naar de nieuwe artikelen in het Wetboek van Strafvordering, al is er in essentie niet zoveel veranderd.
Het is feitelijk onjuist dat de zus van cliënt de oproeping in ontvangst heeft genomen en heeft verklaard cliënt op de hoogte te stellen. Dat blijkt niet uit de stukken. Het is mogelijk dat [betrokkene 53] de brief heeft ontvangen. Het zou mij niet verbazen dat dit op hetzelfde moment was als de uitreiking van de oproeping voor de verdachte [medeverdachte] . In ieder geval kon [betrokkene 53] op dat moment niet als huisgenoot van mijn cliënt [verdachte] worden aangemerkt. Wellicht is zij dat voor een korte periode geweest, maar dat is meer dan een decennium geleden.
De stelling van de advocaat-generaal dat het op de weg van cliënt had gelegen om de autoriteiten op de hoogte te stellen van zijn adres in de Verenigde Staten gaat niet op. Immers, dit adres is in de onderhavige zaak bekend geworden in verband met een andere strafzaak. Het openbaar ministerie kan zich daarom niet verschuilen achter de stelling dat zij niet op de hoogte was van dit adres. Terecht is later onderkend dat een oproeping naar dit adres moest worden verzonden. Deze verzending heeft echter te laat plaatsgevonden. Ik persisteer dus en hetzelfde geldt voor de vertalingen van de oproepingen.
Ik hoor de voorzitter opmerken dat het hof beschikt over een vertaling. Dat heb ik ook gezien, maar die dateert van een later moment dan de verzending van de oproeping. Ik haal niet uit de stukken dat die vertaling later is verzonden. Daarop deelt de voorzitter mede dat het hof de vorige zittingsdag had vernomen dat ik de stukken al van de advocaat-generaal heb ontvangen. De advocaat-generaal deelt mede dat zij ondertussen een reactie met de vertaling heeft ontvangen van de administratie en die per e-mail naar mij doorstuurt.’
10. De overgelegde pleitnota houdt onder meer het volgende in:
‘ DE (ON)GELDIGHEID VAN DE OPROEPING IN DE ZAAK [verdachte]
Op de eerste zittingsdag heb ik mij reeds op het standpunt gesteld dat de oproeping in de zaak tegen [verdachte] niet rechtsgeldig is betekend. Dat verweer is door uw hof verworpen en er is voortgegaan met de behandeling van zijn zaak. Zijn zaak is behandeld op 14, 17 en 21 september, terwijl vandaag, 23 september van mij pleidooi wordt verwacht.
Ik herhaal hierbij het verweer strekkende tot nietigheid van (de betekening van) de oproeping. Voor de beoordeling van dat verweer is een aantal zaken van belang.
Allereerst is bekend dat [verdachte] niet als ingezetene staat ingeschreven op een adres in Nederland. Hij heeft meer dan 10 jaar geleden kortstondig verbleven op een adres in [plaats] , maar reeds tijdens de behandeling van de zaak in eerste aanleg was bekend dat hij daar niet meer woonde. De poging om op dat adres te betekenen had wat mij betreft dan ook achterwege gelaten kunnen worden en heeft in elk geval geen invloed op de rechtsgeldigheid van de betekening.
Op de informatiestaat SKDB staat aangetekend dat betrokkene sinds december 2012 zou verblijven op een adres in Portugal. Die informatie is vermoedelijk in de databank terecht gekomen toen [verdachte] Nederland heeft verlaten. Het lijkt niet meer te zijn aangepast in het afgelopen decennium. Nu ligt het ook niet direct voor de hand dat als iemand in het buitenland verblijft, en daar verhuist of wederom emigreert, dat hij dit dan doorgeeft aan de gemeentelijke administratie van een land dat hij reeds eerder heeft verlaten.
Zouden er geen andere gegevens van [verdachte] bekend zijn, dan zou het inderdaad voor de hand hebben gelegen hem op te roepen op het adres in Portugal, hetgeen ook is geschied. Overigens lijkt ook die oproeping niet op de voorgeschreven wijze te hebben plaatsgevonden.
Op de akte van uitreiking staat namelijk aangetekend dat de gerechtelijke brief op 8 juli 2021 is verzonden naar een adres in Portugal. De vraag die zich aandient is wat er op die datum is verzonden. Dat lijkt niets anders te kunnen zijn dan de in de Nederlandse taal opgestelde (eveneens op 8 juli gedateerde) oproeping.
Als die brief de geadresseerde al zou hebben kunnen bereiken, dan was die in ieder geval niet opgesteld in een voor hem begrijpelijke taal. Er bevindt zich wel een vertaling van de oproeping bij de betekeningsstukken, maar die vertaling is gedateerd op 9 augustus 2021. Uit de stukken blijkt niet dat of wanneer de vertaalde oproeping vervolgens wederom is verzonden. Reeds om die reden is de oproeping niet rechtsgeldig.
Maar er speelt nog een ander punt. Uit het dossier kon namelijk worden afgeleid dat [verdachte] inmiddels was geëmigreerd naar de Verenigde Staten. Ik kom daar later nog op terug bij de bespreking van de verzoeken om getuigen te mogen horen, maar op deze plaats is reeds relevant om te vermelden dat [verdachte] op de lijst stond om als getuige te worden gehoord in de zaken tegen [medeverdachte] en [betrokkene 52] . In het kader van de uitvoering van de verwijzingsopdracht is gebleken dat [verdachte] in de Verenigde Staten woonachtig was en daar is ook een adres bekend geworden. Er is tussen de raadsheer-commissaris en de (toenmalig) raadsman van [verdachte] contact geweest over zijn verhoor als getuige, in eerste instantie in een andere strafzaak. Uit die contacten bleek zonneklaar dat een adres van [verdachte] bekend was en er is ook contact met hem geweest via dat adres.
Maar op dat adres is [verdachte] niet opgeroepen voor de zitting. Ik heb tijdens de eerste zittingsdag een afschrift gevraagd van de betekeningsstukken. In het setje met de betekeningsstukken dat ik van de advocaat-generaal heb ontvangen, zit geen afschrift van een oproeping die naar de Verenigde Staten is verstuurd. Op de eerste zittingsdag is besproken dat het hof wel over een dergelijk afschrift beschikt, maar die brief zou pas enkele dagen voorafgaand aan de eerste zittingsdag zijn verstuurd en in elk geval niet binnen de daarvoor gestelde termijn.
Ik heb dat punt op de eerste zittingsdag ook al aan de orde gesteld en ik heb mij op het standpunt gesteld dat de oproeping niet rechtsgeldig is betekend. De voorzitter heeft toen nog medegedeeld dat dit mogelijk zo zou kunnen zijn, maar dat dit – voor zover het verweer zag op de termijn van oproeping – dan alleen voor de eerste 3 of 4 zittingsdagen zou gelden. Dat uw hof op die lijn zat, bleek in de zaak tegen een medeverdachte, waarin een gelijke problematiek speelde. Uw hof heeft de oproeping in die zaak als het ware in tweeën geknipt, en bepaald dat de oproeping voor de eerste 4 zittingsdagen niet tijdig was, maar dat het onderzoek in die zaak op de 5° zittingsdag (4 oktober aanstaande) kon worden hervat.
Die insteek heeft mij verbaasd, omdat mij geen gevallen bekend zijn waarin een oproeping deels wel en deels niet als geldig kan worden aangemerkt.
Wat daar ook van zij, in de zaak tegen [verdachte] heeft uw hof het door mij gevoerde verweer verworpen en is voortgegaan met de behandeling van zijn zaak. Zijn zaak is behandeld op zowel 14, 17, 21 als 23 september. Dat is volgens mij niet juist.
Omdat van [verdachte] een adres in de Verenigde Staten bekend was, had hij ook op dat adres opgeroepen moeten worden. Dat is kennelijk ook door de advocaat-generaal onderkend, zij het dat dit te laat is geweest. Toen ik dat op de eerste zittingsdag aan de orde stelde, heeft de voorzitter het aldus omschreven dat die verzending als een extra service moet worden beschouwd. Dat is een term die het Wetboek van Strafvordering in elk geval niet kent.
Waar gaat het nou om bij de uitleg van betekeningsvoorschriften? Het gaat er toch om dat een verdachte op de hoogte moet geraken van een tegen hem aanhangig gemaakte zitting? Wat heeft het dan voor een zin om oproepingen te doen uitgaan naar 2 adressen waarvan we zeker weten dat hij daar niet woonachtig is? En wat heeft het dan voor een zin om enkele dagen voor de zitting een oproeping per gewone brief naar de Verenigde Staten te sturen? De kans dat die brief de verdachte voor aanvang van de zitting heeft bereikt, is nihil.
We weten ook dat hij niet ter zitting aanwezig was. En we weten, omdat ik u dat heb medegedeeld, dat hij niet via mij op de hoogte van de zitting is geraakt. Hoe had hij dat dan moeten weten? Het belang van een oproeping naar het juiste adres is evident. Naar het van hem bekende adres in het buitenland is slechts enkele dagen voor de zitting een oproep verstuurd. Ik heb overigens niet kunnen nagaan of dat een vertaalde versie betreft. Bovendien lijkt die oproep niet op de daartoe voorgeschreven wijze te zijn gedaan. Op grond van artikel 3 vanPro het Verdrag Nederland – Verenigde Staten aangaande wederzijdse rechtshulp in strafzakenhad de aangezochte staat via een rechtshulpverzoek gevraagd moeten worden om de oproep te betekenen. Ook dat lijkt niet te zijn gebeurd.
Gelet op alle onvolkomenheden die aan de oproeping kleven (onjuiste adressen, te korte termijn, geen vertaling, niet via een rhv) stel ik mij op het standpunt dat de betekening niet op een rechtsgeldige wijze heeft plaatsgevonden.
Ik herhaal hierbij daarom het verweer strekkende tot nietigheid van de (betekening van de) oproeping. Subsidiair vraag ik uw hof de behandeling van de zaak tegen [verdachte] alsnog te schorsen, zodat hij in de gelegenheid kan worden gesteld om zijn aanwezigheidsrecht te effectueren.’
11. Het bestreden arrest houdt, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:
‘ Geldigheid van de betekening van de oproeping en in verband daarmee het verzoek tot aanhouding van de zaak
Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman bij pleidooi opnieuw - overeenkomstig de overgelegde pleitnota - aangevoerd dat de oproeping van de verdachte, voor de inhoudelijke behandeling niet rechtsgeldig is betekend.
Overeenkomstig het hof reeds ter zitting van 14 september 2021 heeft beslist, is het hof van oordeel dat de oproeping op rechtsgeldige wijze is betekend en overweegt hiertoe als volgt.
Blijkens de SKDB-staat van 30 juli 2021 betreft het BRP-adres van de verdachte sinds 4 december 2012 een adres in Portugal. Uit de stukken in het dossier volgt dat de oproeping naar dit adres is verzonden op 8 juli 2021. Een vertaling in de taal Punjabi is als afschrift verzonden op 16 augustus 2021.
Op grond van het voorgaande is het hof van oordeel dat (gelet op artikel 36e lid 3 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv)) de oproeping op rechtsgeldige wijze is betekend. Van een opgegeven adres als bedoeld in art. 36g lid 1 Sv is, mede gelet op art. 36g lid 3 Sv, voorts niet gebleken.
Uit het dossier blijkt voorts dat is getracht de oproeping aan de verdachte uit te reiken op het adres [g-straat 1] te [plaats] (het laatst bekende verblijfsadres van de verdachte in Nederland en tevens het woonadres van zijn zuster en zwager). Aldaar is de oproeping op 26 juli 2021 uitgereikt aan [betrokkene 53] . Op de akte is aangevinkt dat deze [betrokkene 53] heeft beloofd de brief onmiddellijk aan de geadresseerde, zijnde de verdachte, te geven. Ook naar dit adres is op 16 augustus 2021 een vertaling in de taal Punjabi als afschrift verzonden. Deze betekening heeft naar het oordeel van het hof, en overeenkomstig het standpunt van de raadsman, ten overvloede plaatsgevonden.
Op 9 september 2021 is tot slot een oproeping, inclusief vertaling, verzonden naar een adres in de Verenigde Staten. Dit adres is eerst na de in het voorgaande genoemde rechtsgeldige betekening bij het hof bekend geworden naar aanleiding van een proces-verbaal van bevindingen van de raadsheer-commissaris in verband met het horen van de verdachte als getuige in de zaken van de medeverdachten [medeverdachte] en [betrokkene 52] . Anders dan de raadsman heeft aangevoerd, heeft ook deze betekening, naar het oordeel van het hof, ten overvloede plaatsgevonden en doet deze aan de eerdere rechtsgeldige betekening niet af.
Met betrekking tot het subsidiaire verzoek van de raadsman om het onderzoek te schorsen zodat de verdachte gebruik kan maken van zijn aanwezigheidsrecht overweegt het hof het volgende.
Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad dienen de justitiële autoriteiten, waaronder de rechter, steeds rekening te houden met de waarschijnlijkheid dat de verdachte van het aanwezigheidsrecht gebruik wil maken. Met het oog daarop mag van de verdachte die, zoals hier, hoger beroep heeft ingesteld en prijs stelt op berechting op tegenspraak, dan wel worden verwacht dat hij de in het maatschappelijk verkeer gebruikelijke maatregelen neemt om te voorkomen dat de appeldagvaarding hem niet bereikt of de inhoud daarvan niet te zijner kennis komt. Tot zodanige maatregelen kan in elk geval worden gerekend dat de verdachte zich bereikbaar houdt voor zijn raadsman - die uit eigen hoofde een afschrift van de appeldagvaarding ontvangt indien hij zich in hoger beroep heeft gesteld of is toegevoegd - opdat de verdachte in voorkomende gevallen (ook) langs die weg van het tijdstip van de behandeling van zijn zaak op de hoogte komt (Vgl. HR 3 februari 2015, ECLI:NL:HR:2015:192).
Het hof stelt vast dat de verdachte zodanige maatregelen niet heeft getroffen, althans daarvan is niet gebleken. Bij deze stand van zaken is het hof van oordeel dat het belang van een doeltreffende en spoedige berechting en het belang van een goede organisatie van de rechtspleging thans dient te prevaleren boven het belang van de verdachte om zijn aanwezigheidsrecht te kunnen uitoefenen.
Het hof wijst het aanhoudingsverzoek bijgevolg af.’
De wettelijke regeling inzake betekening in het buitenland; rechtspraak
12. De voorschriften die op betekening in het buitenland zagen kwamen in 1985 als volgt te luiden. [1]
‘5. In de gevallen waarin van de persoon voor wie het schrijven bestemd is geen woon- of verblijfplaats in Nederland bekend is, wordt het stuk uitgereikt aan de griffier van de rechtbank waar of in welker rechtsgebied de zaak zal dienen of laatstelijk heeft gediend. De griffier doet het schrijven toekomen aan degene voor wie het bestemd is, zodra het adres in Nederland alsnog bekend wordt.
6. In de gevallen, bedoeld in het vorige lid, waarin de woon- of verblijfplaats in het buitenland bekend is, verzendt het openbaar ministerie een afschrift van het schrijven, hetzij rechtstreeks hetzij door tussenkomst van de bevoegde buitenlandse autoriteit of instantie, aan de persoon voor wie het bestemd is. Indien de bevoegde buitenlandse autoriteit of instantie bericht, dat het stuk is uitgereikt aan de persoon voor wie het bestemd is, geldt deze uitreiking als betekening in persoon, zonder dat hiervan nog uit een afzonderlijke akte behoeft te blijken.’
‘par. 4.3. Betekening bij bekende woon- of verblijfplaats in het buitenland
De huidige wet (artikel 588, lid 2) bepaalt, dat indien geen woon- of verblijfplaats in Nederland bekend is, gerechtelijke mededelingen moeten worden betekend ter griffie van het gerecht dat van de zaak moet kennis nemen of daarvan het laatst kennis genomen heeft. De griffier moet het stuk dan aan de geadresseerde toezenden, zodra diens woon-of verblijfplaats hem bekend is. Deze regeling geldt zowel voor personen zonder bekende woon- of verblijfplaats als voor degenen van wie weliswaar geen woon- of verblijfplaats in Nederland bekend is maar wel in het buitenland. In het laatste geval moet ingevolge het vierde lid van artikel 588 (oud) tevens door het openbaar ministerie een kopie van het schrijven aangetekend worden verzonden aan dat adres. (…)
De betekening ter griffie heeft in de hier bedoelde gevallen ten doel te verzekeren dat de rechtsgeldigheid van de uitreiking te allen tijde in rechte kan worden vastgesteld. Er vindt immers, ook als het stukken betreft die voor in het buitenland woonachtige geadresseerden zijn bestemd, steeds betekening aan een Nederlandse autoriteit plaats. Ik meen dat de regeling dan ook in zoverre moet worden gehandhaafd, maar acht het minder zinvol te bepalen, dat zodra een eventueel adres in het buitenland van de geadresseerde bekend is of wordt, het stuk alsnog aan dat adres wordt toegezonden, waar de wet ten aanzien van het openbaar ministerie reeds voorschrijft met een kopie van het schrijven dienovereenkomstig te handelen. In artikel 588, vijfde en zesde lid (nieuw), is met een en ander rekening gehouden.’
14. In 1994 werd de wettelijke regeling aangepast. [3] De uitreiking aan de griffier kwam te vervallen ingeval een woon- of verblijfplaats in het buitenland bekend was. Deze wijziging is het gevolg van een nota van wijziging en is daarin niet nader toegelicht. [4] De regeling die op betekening in het buitenland zag, kwam door deze wijziging als volgt te luiden: [5]
‘2. De uitreiking aan de geadresseerde van wie de woon– of verblijfplaats in het buitenland bekend is geschiedt door toezending van de mededeling door het openbaar ministerie, hetzij rechtstreeks, hetzij door tussenkomst van de bevoegde buitenlandse autoriteit of instantie. Indien de bevoegde buitenlandse autoriteit of instantie bericht dat de mededeling aan de geadresseerde is uitgereikt, geldt deze uitreiking als betekening in persoon, zonder dat hiervan nog uit een afzonderlijke akte behoeft te blijken.’
15. Deze versie van art. 588, tweede lid, Sv was van kracht toen Uw Raad in 2002 het overzichtsarrest inzake betekening en het aanwezigheidsrecht wees. [6] Uw Raad overwoog in dat arrest onder meer het volgende (met weglating van voetnoten):
‘C. De verdachte heeft een bekend adres in het buitenland
3.19.
Indien op grond van het daartoe ingestelde onderzoek als vaststaand kan worden aangenomen dat de verdachte niet is ingeschreven in een GBA en niet in Nederland is gedetineerd, en ook niet een feitelijke woon- of verblijfplaats in Nederland, maar wel een adres in het buitenland bekend is, geschiedt de betekening van de dagvaarding door toezending van de dagvaarding door het openbaar ministerie hetzij rechtstreeks aan het laatstbekende adres van de verdachte in het buitenland, hetzij door tussenkomst van de bevoegde buitenlandse autoriteit of instantie (art. 588 lidPro 2). Door die toezending is de dagvaarding rechtsgeldig betekend. Als datum waarop die betekening plaatsvindt, geldt de datum van de verzending van de dagvaarding, waarvan aantekening dient te geschieden in de akte van uitreiking.
Opmerking verdient allereerst dat de enkele omstandigheid dat - zoals althans tot voor kort in enkele arrondissementen gebruikelijk was - de dagvaarding eerst aan de griffier is uitgereikt en door deze - en dus niet rechtstreeks door het openbaar ministerie - aan de verdachte is toegezonden, niet meebrengt dat de betekening nietig is.
Voorts verdient opmerking dat in een aantal gevallen waarin de tussenkomst van de bevoegde buitenlandse autoriteit of instantie is ingeroepen, de verplichting bestaat tot schorsing van het onderzoek ter terechtzitting. Deze gevallen worden hierna onder 3.34 sub c behandeld.
3.20.
Bij het vorenstaande moet het volgende worden aangetekend.
a. Wanneer volgens opgave van de GBA de verdachte naar een ander land is vertrokken, mag eerst dan worden aangenomen dat zijn woon- of verblijfplaats in het buitenland niet bekend is indien bij de desbetreffende gemeente - zonder resultaat - navraag is gedaan of de verdachte bij zijn vertrek de voor de uitreiking van gerechtelijke mededelingen benodigde adresgegevens heeft opgegeven en of die gegevens zijn geadministreerd.
b. De regeling van art. 588 lid 2 isPro van overeenkomstige toepassing indien de verdachte een bekende woon- of verblijfplaats heeft op de Nederlandse Antillen of Aruba.
c. Deze regeling moet ook worden toegepast wanneer van de in het buitenland woonachtige of verblijvende verdachte bekend is dat hij in Nederland een kantooradres houdt of met het oog op de betekening woonplaats heeft gekozen.
d. Niet-naleving van verdragsverplichtingen betreffende bijvoorbeeld de taal waarin de dagvaarding moet zijn gesteld en de termijn welke bij de verzending in acht behoort te worden genomen, leidt niet tot nietigheid van de dagvaarding. Wel kan dit grond vormen voor de hierna onder 3.34 sub c te behandelen schorsing van het onderzoek ter terechtzitting.
3.21.
In geval van rechtstreekse toezending van de dagvaarding aan de verdachte geldt dat die toezending in de regel kan geschieden als gewone brief over de post. Dit is alleen anders indien een door Nederland aangegane verdragsverplichting jegens de Staat waarheen de dagvaarding moet worden verstuurd, zich daartegen verzet.
3.22.
In geval van toezending van de dagvaarding door tussenkomst van de bevoegde buitenlandse autoriteit of instantie geldt:
a. dat uit de stukken slechts behoeft te blijken dat die tussenkomst is ingeroepen doch niet dat aan het gedane verzoek is voldaan. Indien evenwel aannemelijk is dat de buitenlandse autoriteit of instantie geen uitvoering heeft gegeven aan het verzoek, behoort de rechter het onderzoek ter terechtzitting te schorsen teneinde het verzuim te doen herstellen. Zie daartoe hierna onder 3.34 sub c.
b. dat wanneer de buitenlandse autoriteit of instantie heeft bericht dat de dagvaarding aan de verdachte is uitgereikt, deze uitreiking geldt als een betekening in persoon zonder dat hiervan nog uit een afzonderlijke akte behoeft te blijken (art. 588 lidPro 2).
(…)
IV. Aanvullende regels in verband met het aanwezigheidsrecht
3.33.
Indien de dagvaarding van een verdachte die is ingeschreven in een GBA of wiens feitelijke woon- of verblijfplaats in Nederland of wiens adres in het buitenland bekend is, rechtsgeldig is betekend en de verdachte noch zijn raadsman op de terechtzitting is verschenen, kan de rechter - behoudens duidelijke aanwijzingen van het tegendeel - uitgaan van het vermoeden dat de verdachte vrijwillig afstand heeft gedaan van zijn recht om in zijn tegenwoordigheid te worden berecht. (…)
3.34.
Het vorenoverwogene lijdt slechts uitzondering wanneer aan de stukken of het verhandelde ter terechtzitting duidelijke aanwijzingen kunnen worden ontleend dat de verdachte niet vrijwillig afstand heeft gedaan van zijn recht om in zijn tegenwoordigheid te worden berecht. Dan behoort het onderzoek ter terechtzitting, dat op grond van een dagvaarding die op wettige wijze is betekend, rechtsgeldig is aangevangen, te worden geschorst teneinde de verdachte in de gelegenheid te stellen alsnog bij het onderzoek aanwezig te zijn.
Die schorsing behoort in de regel plaats te hebben:
(…)
c. in de hiervoren onder 3.20 sub d en 3.22 sub a behandelde gevallen waarin het adres van de verdachte in het buitenland bekend is, en hetzij blijkt dat bij de toezending van de dagvaarding aan de verdachte de ter zake geldende verdragsverplichtingen niet zijn nageleefd, hetzij het ernstige vermoeden bestaat dat de buitenlandse autoriteit of instantie geen uitvoering heeft gegeven aan het verzoek tot uitreiking van de dagvaarding.
In die gevallen dient het onderzoek ter terechtzitting te worden geschorst opdat het desbetreffende verzuim wordt hersteld, dan wel de gedetineerde verdachte alsnog in de gelegenheid wordt gesteld op een nadere terechtzitting aanwezig te zijn.’
16. In 2004 is de wettelijke regeling wederom aangepast. [7] Art. 588, tweede lid, Sv kwam daardoor als volgt te luiden:
‘De uitreiking aan de geadresseerde van wie de woon- of verblijfplaats in het buitenland bekend is, geschiedt door toezending van de mededeling door het openbaar ministerie, hetzij rechtstreeks, hetzij door tussenkomst van de bevoegde buitenlandse autoriteit of instantie en, voor zover een verdrag van toepassing is, met inachtneming van dat verdrag. Dagvaardingen worden vertaald in de taal of een van de talen van het land waar de geadresseerde verblijft dan wel, voor zover aannemelijk is dat hij slechts een andere taal machtig is, in die taal. Met betrekking tot andere gerechtelijke mededelingen kan volstaan worden met een vertaling van de essentiële onderdelen daarvan. Indien de bevoegde buitenlandse autoriteit of instantie bericht dat de mededeling aan de geadresseerde is uitgereikt, geldt deze uitreiking als betekening in persoon, zonder dat hiervan nog uit een afzonderlijke akte behoeft te blijken.’
17. Deze wijziging strekte ter uitvoering van artikel 5 vanPro de EU-rechtshulpovereenkomst. [8] Dat artikel luidt als volgt:
‘1. Elke lidstaat zendt aan de personen die zich op het grondgebied van een andere lidstaat bevinden, voor hen bestemde gerechtelijke stukken rechtstreeks over de post toe.
2. Toezending van gerechtelijke stukken door bemiddeling van de bevoegde autoriteiten van de aangezochte lidstaat kan alleen plaatsvinden indien:
a. het adres van de persoon voor wie het stuk bestemd is, onbekend of twijfelachtig is,
b. het toepasselijke procesrecht van de verzoekende lidstaat een ander bewijs dan het via de postdiensten verkrijgbare bewijs van uitreiking van het stuk aan de geadresseerde verlangt,
c. het stuk niet per post kon worden bezorgd, of
d. de verzoekende lidstaat gegronde redenen heeft om aan te nemen dat verzending over de post zonder resultaat zal blijven of niet toereikend zal zijn.
3. Wanneer aannemelijk is dat de geadresseerde de taal waarin het gerechtelijk stuk is gesteld niet beheerst, dient dit – althans de essentie ervan – te worden vertaald in de taal of één der talen van de lidstaat op het grondgebied waarvan de geadresseerde verblijft. Indien de autoriteit waarvan het gerechtelijk stuk uitgaat, weet dat de geadresseerde slechts een andere taal machtig is, dient het stuk – althans de essentie ervan – te worden vertaald in die andere taal.
4. Bij alle gerechtelijke stukken wordt de mededeling gevoegd dat de geadresseerde bij de autoriteit waarvan het stuk uitgaat of bij andere autoriteiten in die lidstaat inlichtingen kan inwinnen over zijn rechten en plichten met betrekking tot het stuk. Lid 3 is van toepassing op die mededeling.
5. Dit artikel doet geen afbreuk aan de toepassing van de artikelen 8, 9 en 12 van het Europees Rechtshulpverdrag en de artikelen 32, 34 en 35 van het Benelux-Verdrag.’
18. In HR 30 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL0616, NJ2010/198 overwoog Uw Raad dat de in rov. 3.20 van het overzichtsarrest verwoorde verplichting om navraag te doen bij de desbetreffende gemeente ook geldt indien de genoemde opgave van de GBA weliswaar een plaats in een ander land inhoudt maar niet de voor betekening benodigde adresgegevens. [9] In HR 10 januari 2017, ECLI:NL:HR:2017:27, NJ2017/44 heeft Uw Raad deze onderzoeksplicht aldus verstaan dat ingeval de informatiestaat SKDB in de rubriek ‘huidig BRP-adres’ een aanknopingspunt bevat voor het vermoeden dat de verdachte een woon- of verblijfplaats in het buitenland heeft, navraag moet worden gedaan of zijn adresgegevens zijn geregistreerd in de databank Registratie Niet-Ingezetenen. Die verplichting geldt niet als ‘in een andere rubriek, te weten de rubriek “laatst opgegeven woon- of verblijfplaats” (…) weliswaar een buitenland is vermeld doch niet een adres’. [10]
19. In HR 20 november 2012, ECLI:NL:HR:2012:BY3496 bevond zich bij de stukken van het geding een proces-verbaal van verhoor van 29 oktober 2002. Daarin had de verdachte zijn woonplaats opgegeven; uit de context kan worden afgeleid dat dit een woonplaats in Bosnië-Herzegovina betrof. De akte van uitreiking van de appeldagvaarding hield in dat uitreiking had plaatsgevonden ter griffie van de rechtbank omdat van de geadresseerde geen woon- of verblijfplaats in Nederland bekend was. Een ‘verwerkingsoverzicht GBA-gegevens’ van 22 juli 2003 hield in dat de verdachte niet was gedetineerd en dat van de verdachte geen adres in Nederland bekend was. Nu de akte uitreiking noch enig ander gedingstuk inhield ‘dat de dagvaarding in hoger beroep naar voornoemd adres van de verdachte in het buitenland is verzonden’ was het oordeel dat deze geldig was betekend onjuist. [11]
20. In HR 3 februari 2015, ECLI:NL:HR:2015:210 had de verdachte in een proces-verbaal van politie van 25 augustus 2010 een postadres in Accra-North (Ghana) als zijn adres opgegeven. Hij had voorts aangegeven dat gerechtelijke stukken met betrekking tot dit onderzoek gestuurd konden worden naar dit door hem opgegeven postbusnummer. En hij had verklaard dat hij vanwege een verbouwing tijdelijk in een huurhuis woonde dat hij had opgegeven als woonadres. De verdachte gaf ook aan welk adres het pand dat verbouwd werd had. De appeldagvaarding was verzonden naar het als woonadres opgegeven huurhuis. Uw Raad overwoog dat het oordeel ‘dat dit adres heeft te gelden als het laatst bekende adres van de verdachte in het buitenland’ niet zonder meer begrijpelijk was. In HR 22 september 2020, ECLI:NL:HR:2020:1466 had de niet gemachtigde raadsman op 27 juni 2018 in hoger beroep ter terechtzitting meegedeeld dat ‘het adres in Ghana niet meer actueel is’ en dat de dagvaarding enkel betekend behoefde te worden op een ander adres. Nadien waren oproepingen voor de terechtzitting van 30 november 2018 steeds uitgereikt aan de griffier; een afschrift van één van de oproepingen was verzonden aan het adres dat de raadsman had genoemd. De bij deze oproepingen behorende ID-staten SKDB hielden in ‘dat zijn adres met ingang van 21 april 2016 Office Box [001] in Kumasi Ashanti Regian (Ghana) is’. Nu niet bleek dat de oproeping naar dit adres was verzonden, was ’s hofs oordeel dat de oproeping rechtsgeldig betekend was ontoereikend gemotiveerd. [12]
21. Art. 588, tweede lid, Sv is op 1 januari 2020 vervangen door het praktisch gelijkluidende art. 36e, derde lid, Sv, dat als volgt luidt: [13]
‘De uitreiking aan de geadresseerde van wie de woon- of verblijfplaats in het buitenland bekend is, geschiedt door toezending van de mededeling, hetzij rechtstreeks, hetzij door tussenkomst van de bevoegde buitenlandse autoriteit of instantie en, voor zover een verdrag van toepassing is, met inachtneming van dat verdrag. Dagvaardingen worden vertaald in de taal of een van de talen van het land waar de geadresseerde verblijft dan wel, voor zover aannemelijk is dat hij slechts een andere taal machtig is, in die taal. Met betrekking tot andere gerechtelijke mededelingen kan worden volstaan met een vertaling van de essentiële onderdelen daarvan. Indien de bevoegde buitenlandse autoriteit of instantie bericht dat de mededeling aan de geadresseerde is uitgereikt, geldt deze uitreiking als betekening in persoon, zonder dat dit nog uit een afzonderlijke akte hoeft te blijken.’
22. Artikel 265, eerste en derde lid, Sv houdt in: [14]
‘1. Tussen de dag waarop de dagvaarding aan de verdachte is betekend en die der terechtzitting moet een termijn van ten minste tien dagen verlopen. (...)
3. Bij gebreke van het een of ander schorst de rechtbank het onderzoek, tenzij de verdachte is verschenen. Is dit laatste het geval en verzoekt de verdachte in het belang van zijn verdediging uitstel, dan schorst de rechtbank het onderzoek voor bepaalde tijd, tenzij zij bij met redenen omklede beslissing van oordeel is dat de verdachte redelijkerwijs niet in zijn verdediging kan worden geschaad wanneer het onderzoek wordt voortgezet.’
23. Artikel 413, eerste lid, Sv luidt als volgt: [15]
‘Tussen de dag waarop de dagvaarding aan de verdachte is betekend en die der terechtzitting moet een termijn van tenminste tien dagen verlopen. Artikel 265, tweede en derde lid, is van overeenkomstige toepassing.’
Bespreking van het eerste middel
24. Het middel bevat blijkens de toelichting in de eerste plaats de klacht dat het oordeel van het hof niet voor juist kan worden gehouden omdat uit het dossier niet blijkt dat de oproeping in een voor de verdachte begrijpelijke taal is verzonden aan het adres in Portugal.
25. Uit de stukken van het geding blijkt dat een afschrift in het Punjabi op 16 augustus 2021 zowel naar het laatst bekende adres van de verdachte in Nederland als naar het van de verdachte bekende adres in Portugal is verzonden. Derhalve faalt deze klacht bij gebrek aan feitelijke grondslag.
26. Het middel bevat blijkens de toelichting voorts de klacht dat ’s hofs oordeel dat de betekening van de oproeping rechtsgeldig is, onjuist is omdat de oproeping naar het van de verdachte bekende adres in de Verenigde Staten gezonden had moeten worden, terwijl dat pas een paar dagen voor aanvang van de behandeling van de zaak is gebeurd en bovendien niet op de voorgeschreven wijze.
27. Ingevolge art. 36e, derde lid, Sv kan de uitreiking aan de geadresseerde van wie de woon- of verblijfplaats in het buitenland bekend is, geschieden door toezending van de mededeling. Uit rechtspraak van Uw Raad kan worden afgeleid dat een dergelijke woon- of verblijfplaats kan blijken uit de informatiestaat SKDB-persoon, maar ook uit andere stukken van het geding, zoals een proces-verbaal van verhoor. Op het openbaar ministerie is tot dusver alleen een plicht tot het doen van navraag gelegd ingeval de adresgegevens in de informatiestaat SKDB in de rubriek ‘huidig BRP-adres’ niet volledig zijn.
28. Het komt mij voor dat er geen reden is uitbreiding te geven aan deze verplichtingen en van het openbaar ministerie te verlangen dat bij rechter-commissaris en/of raadsheer-commissaris navraag wordt gedaan naar een bekende woon- of verblijfplaats in het buitenland. Ik neem daarbij in aanmerking dat de betekeningsregeling waar het de uitreiking in Nederland betreft in geval de verdachte niet rechtens zijn vrijheid is ontnomen uitreiking aan het BRP-adres voorop stelt. Van de verdachte die in Nederland woont, wordt verlangd dat hij een wijziging van adres doorgeeft. De verdachte die in het buitenland woont, kan het openbaar ministerie op de hoogte stellen van een adreswijziging.
29. Verder kan uit de wettelijke regeling en rechtspraak van Uw Raad worden afgeleid dat het gaat om de op het moment van betekening bekende woon- of verblijfplaats. Ik wijs er in dit verband op dat Uw Raad in het overzichtsarrest overwoog dat als datum waarop de betekening plaatsvindt de datum van de verzending van de dagvaarding geldt (rov. 3.19). Ook bij uitreiking van de dagvaarding in Nederland is het moment van betekening bepalend. Als ter terechtzitting blijkt dat de verdachte op het moment van betekening was verhuisd en ergens anders woonde dan op zijn BRP-adres, doet dat niet af aan de geldigheid van de betekening. [16]
30. De oproeping voor de terechtzitting van 14, 17, 21 en 23 september en 4 oktober 2021 is (in de Nederlandse taal) op 8 juli 2021 uitgereikt aan een medewerker van het openbaar ministerie en verzonden naar het adres [q-straat 1] – [plaats] in Portugal. Uit de stukken van het geding kan niet worden afgeleid dat het openbaar ministerie op dat moment met het adres in de Verenigde Staten bekend was. In het dossier zit een e-mail van 3 januari 2017 van mr. Rombouts aan de griffier van de raadsheer-commissaris, maar een concreet adres is daarin niet vermeld en duidelijk is niet wanneer het openbaar ministerie met deze e-mail bekend is geworden. Er zijn ook geen aanwijzingen dat het openbaar ministerie op 8 juli 2021 al met het EOB uit 2018 bekend was. Dat wordt in de schriftuur ook niet (onderbouwd) betoogd; gesteld wordt dat uit het dossier ‘zonneklaar’ bleek dat de verdachte was ‘geëmigreerd naar een adres in de Verenigde Staten’, maar aangevoerd wordt niet dat dit op 8 juli 2021 al zonneklaar uit het dossier bleek.
31. Ten overvloede merk ik nog op dat ook in het geval het adres in de Verenigde Staten als (laatst) bekende woon- of verblijfplaats zou moeten worden aangemerkt, cassatie naar het mij voorkomt achterwege kan blijven. Dat de oproeping pas vijf dagen voor de aanvang van het onderzoek ter terechtzitting naar het adres van de verdachte in de Verenigde Staten is toegezonden doet er niet aan af dat voldaan is aan de eisen van artikel 36e Sv. En daaraan doet ook niet af dat in artikel 3, eerste lid, van het Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Staten van Amerika aangaande wederzijdse rechtshulp in strafzaken is bepaald dat de aangezochte staat zorgt voor de betekening van alle gerechtelijke stukken die hem met dat doel door de verzoekende Staat worden toegezonden. [17] Uit dit voorschrift volgt niet dat betekening van gerechtelijke mededelingen slechts door tussenkomst van de autoriteiten in de Verenigde Staten plaats kan vinden.
32. Wel kan worden vastgesteld dat, als het adres in de Verenigde Staten als bekende woon- of verblijfplaats zou hebben te gelden, niet voldaan is aan de termijn van tien dagen die niet alleen van toepassing is op de dagvaarding in hoger beroep (art. 413, eerste lid, Sv) maar ook op de oproeping voor de terechtzitting na een schorsing voor onbepaalde tijd (art. 320 joPro. art. 415, eerste lid, Sv). Het niet in acht nemen van deze termijn brengt evenwel niet mee dat de betekening nietig is, maar dat het onderzoek ter terechtzitting dient te worden geschorst (art. 265, derde lid, Sv). [18] Ik wijs er in dit verband op dat het middel geen klacht bevat over de afwijzende beslissing van het hof op het aanhoudingsverzoek van de raadsman van de verdachte, en merk in dit verband ook nog op dat de oproeping op 9 september 2021 naar het adres in San Fransisco is verzonden terwijl het onderzoek ter terechtzitting deels op 21 en 23 september en 4 oktober 2021, meer dan tien dagen nadien, heeft plaatsgevonden.
33. Het eerste middel faalt.
Het tweede middel
34. Het tweede middel betreft de afwijzing van verzoeken om [betrokkene 35] en [betrokkene 12] als getuigen te horen. Voordat ik het middel bespreek, geef ik het procesverloop met betrekking tot de getuigenverzoeken, een deel van de pleitnota van de raadsman van de verdachte en de in het bestreden arrest opgenomen afwijzende beslissingen van het hof op de getuigenverzoeken weer.
Procesverloop
35. Namens de verdachte is op 10 april 2014 hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank van 27 maart 2014. Namens het openbaar ministerie is eveneens op 10 april 2014 hoger beroep ingesteld.
36. Bij appelschriftuur van 24 april 2014 heeft de verdediging verzocht onder meer 38 personen als getuigen te horen. Deze appelschriftuur houdt onder meer het volgende in:
‘Cliënt heeft mij uitdrukkelijk gemachtigd om namens hem dit schriftuur op te stellen en in te dienen. Het hoger beroep richt zich tegen zowel de bewezenverklaring als tegen de straftoemeting.
(…)
De verdediging wenst in hoger beroep in ieder geval de navolgende getuigen te horen en het navolgende aanvullend onderzoek:
(…)
22. [betrokkene 35] , wonende aan de [u-straat 1] te [plaats] .
(…)
Deze getuigen dienen te worden gehoord omtrent het in het dossier beschreven geldbedrag van 135.000,- pond. Dit geldbedrag zou cliënt in India en Engeland betaalbaar hebben gesteld. De vragen die daarbij aan de orde dienen te komen is of het genoemde geldbedrag als een lening bestempeld kan worden of niet en zo nee, wat dan de herkomst van het geldbedrag is.
(…)
36. [betrokkene 12] , laatstelijk bekende verblijfplaats in detentie.
(…)
De getuigen genoemd onder 36 t/m 38 zijn reeds eerder opgeroepen door de rechter-commissaris, maar hebben toen inhoudelijk niet willen verklaren. De verdediging wenst hen andermaal te confronteren met de onderzoeksgegevens uit zaaksdossier 17. Bovendien is gebleken dat deze getuigen alle drie zijn vervolgd. De verdediging acht het relevant dat duidelijk wordt waarvoor zij zijn vervolgd en wat hun proceshouding tijdens die vervolging is geweest. Ook zou de verdediging onderzocht willen hebben of zij inmiddels in hun eigen zaken verklaringen hebben afgelegd die relevant kunnen zijn voor de onderhavige zaak.
Sommige van de hiervoor genoemde getuigen zijn reeds eerder door de rechter-commissaris als getuige gehoord, maar hebben zich bij die gelegenheid op hun verschoningsrecht beroepen. Voor zover die getuigen nu opnieuw zijn opgegeven vallen zij strikt genomen onder het noodzaakscriterium. Gelet op het feit dat die getuigen niet eerder hebben willen verklaren zal uw hof worden verzocht de verzoeken ruimhartig te beoordelen.’
37. Het openbaar ministerie heeft bij brief van 19 mei 2016 gereageerd op de getuigenverzoeken.
38. Het proces-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting van 20 mei 2016 houdt onder meer het volgende in: [19]
‘De voorzitter maakt melding van de appelschriftuur van de verdediging d.d. 24 april 2016, waarin de verdediging - onder meer - verzoekt om het als getuige horen van achtendertig personen. De voorzitter deelt voorts mede dat het Openbaar Ministerie bij brief d.d. 19 mei 2016 op de verzoeken van de verdediging heeft gereageerd.
De voorzitter stelt de raadsman in de gelegenheid de verzoeken van de verdediging desgewenst nader toe te lichten.
De raadsman voert daartoe het woord als volgt:
Met de advocaat-generaal heb ik geconstateerd dat de motivering van de verzoeken hier en daar wat summier is. Waar dat het geval is zal ik de motivering aanvullen. Ik houd, net als de advocaat-generaal in de reactie, de nummering uit de schriftuur aan.
(…)
22. [betrokkene 35]
(…)
Tegen het horen van deze getuigen verzet het Openbaar Ministerie zich niet.
(…)
36. [betrokkene 12]
(…)
Tegen het horen van deze getuigen verzet het Openbaar Ministerie zich niet.
(…)
Na hervatting van het onderzoek voert de advocaat-generaal het woord als volgt:
(…)
De advocaat-generaal heeft voor het overige gepersisteerd bij de schriftelijke reactie van het Openbaar Ministerie d.d. 19 mei 2016.
De voorzitter stelt de raadsman in de gelegenheid tot het geven van een laatste reactie op de verzoeken van de verdediging.
De raadsman voert daartoe het woord als volgt:
De stelling van de advocaat-generaal dat de verdachte eerst zelf een verklaring moet afleggen voordat de getuigen bevraagd kunnen worden, is mijns inziens niet houdbaar.
(…)
De voorzitter deelt vervolgens als beslissing van het hof mede dat het hof de behandeling van de zaak zal schorsen tot de terechtzitting van 3 juni 2016 te 9.30 uur, op welke terechtzitting het hof de beslissingen op de verzoeken van de verdediging zal meedelen. De aanwezigheid van de verdachte en zijn raadsman op die terechtzitting is wat het hof betreft niet noodzakelijk.’
39. Op de terechtzitting van 3 juni 2016 heeft het hof als beslissingen op de door de verdediging gedane verzoeken onder meer medegedeeld:
‘Alvorens de beslissingen van het hof mee te delen, deelt de voorzitter ten aanzien van de verzoeken van de verdediging het volgende mede:
Getuigenverzoeken
Bij de beoordeling van de door de verdediging gedane getuigenverzoeken heeft het hof het volgende vooropgesteld. Van de verdediging mag worden verlangd dat zij ten aanzien van iedere van de door haar opgegeven getuigen motiveert waarom het horen van deze getuige van belang is voor enige in de strafzaak uit hoofde van de artikelen 348 en 350 van het Wetboek van Strafvordering te nemen beslissing. Te denken valt in dit verband aan het opgeven van de redenen voor het doen horen van de zogenoemde getuigen à décharge wier verklaringen kunnen strekken tot staving van de betwisting van het tenlastegelegde, of het doen horen van getuigen à charge die in het vooronderzoek zijn gehoord, teneinde deze personen of hun afgelegde verklaringen op geloofwaardigheid en betrouwbaarheid te toetsen.
Ten aanzien van de door de verdediging in de onderhavige zaak verzochte getuigen en de daaraan ten grondslag gelegde motivering, stelt het hof vast dat voor het overgrote deel van de verzochte getuigen geldt dat door de verdediging niet is gemotiveerd wat de betreffende getuige belastend over de verdachte heeft verklaard en waarom dit wordt betwist, terwijl evenmin is aangegeven wat een bepaalde getuige ontlastend over de verdachte zou kunnen verklaren ter staving van de betwisting van het ten laste gelegde. Het overgrote deel van de door de verdediging gedane verzoeken heeft daarentegen betrekking op het kunnen doen van aanvullend nader onderzoek en voldoet daarmee niet aan de motivering die van de verdediging mag worden verlangd, hetgeen consequenties met zich meebrengt voor de beoordeling van deze verzoeken door het hof.
De voorzitter deelt vervolgens de navolgende beslissingen van het hof mede.
Het hof wijst toe- overeenkomstig het standpunt van het Openbaar Ministerie - het verzoek tot het doen horen van de navolgende personen als getuige:
(…)
22. [betrokkene 35]
36. [betrokkene 12]
(…)
Het gerechtshof, gehoord de raadsman en de advocaat-generaal, schorsthierop het onderzoek voor onbepaalde tijd;
verwijst de zaak naar de raadsheer-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in dit gerechtshof teneinde de volgende getuigen te horen – na adresverificatie van het Openbaar Ministerie –:
(…)
[betrokkene 35]
geboren op [geboortedatum] 1964 te [geboorteplaats]
[v-straat 1] te [plaats] ,
[betrokkene 12]
geboren op [geboortedatum] 1984
wonende te [plaats] ,
stelt de stukken daartoe in zoverre in handen van de raadsheer-commissaris;’
40. Bij de aan de Hoge Raad gezonden stukken bevindt zich een proces-verbaal van bevindingen van de raadsheer-commissaris van 7 september 2021. Dit proces-verbaal houdt onder meer het volgende in:
‘In de strafzaken tegen de verdachten:
(…)
Naam : [verdachte]
Geboren op : [geboortedatum] 1974 te [geboorteplaats]
Wonende te : zonder vaste woon- en/of verblijfplaats hier te lande
(…)
De raadsheer-commissaris constateert:
Het gerechtshof Den Haag heeft ter terechtzitting van 3 juni 2016 de strafzaken van [medeverdachte] en [verdachte] verwezen naar de raadsheer-commissaris voor het horen van getuigen.
(…)
In de strafzaak van [verdachte] zijn de volgende getuigen toegewezen:
(…)
- [betrokkene 12]
- [betrokkene 35]
(…)
Uit raadpleging van de GBA-gegevens en de ID-staten SKDB bleek dat geen van de getuigen geregistreerd stond op een Nederland adres.
(…)
Uit de ID-staten SKDB van getuigen [betrokkene 12] en [betrokkene 35] bleek dat zij woonachtig zouden zijn in het Verenigd Koninkrijk. Op 19 maart 2018 is daarom via het IRC ook een EOB verstuurd aan de Britse autoriteiten met het verzoek om deze getuigen via videoconferentie te kunnen horen. Op 13 september 2018 hebben de Britse autoriteiten per email een ontvangstbevestiging van het EOB verstuurd en tevens verzocht om aanvullende informatie. Deze informatie is op 13 oktober 2018 toegestuurd, waarna de Britse autoriteiten op 28 februari 2019 hebben aangegeven dat er een afspraak gemaakt kon worden voor de videoverhoren. Sindsdien is er regelmatig geprobeerd om via e-mail of telefonisch een datum af te stemmen met de Britse autoriteiten, laatstelijk op 12 april 2021, maar tot op heden is daar geen reactie meer op gekomen. De verhoren van deze getuigen hebben daarom geen doorgang kunnen vinden.’
41. Bij de aan de Hoge Raad gezonden stukken bevindt zich een e-mail van 9 september 2021 van de advocaat-generaal gericht aan de griffier en aan de raadsman van de verdachte met als onderwerp ‘oproepen getuigen [medeverdachte] en [verdachte] voor de zitting van 14 september aanstaande om 9:30 (Yox)’. Deze e-mail houdt onder meer het volgende in:
‘Geachte heer Rombouts, geachte griffier,
Vandaag sprak ik telefonisch met de heer Rombouts (advocaat in de zaken tegen [medeverdachte] , [verdachte] en [betrokkene 52] ).
Op 7 september jongstleden ontving ik het proces-verbaal van het kabinet RHC in verband met de niet-gehoorde getuigen in deze zaak. De heer Rombouts had dit proces-verbaal nog niet ontvangen, maar ik heb hem de strekking daarvan meegedeeld.
De heer Rombouts reageerde daarop verbaasd: hij gaf aan dat het kabinet RHC nooit met hem contact had opgenomen om bijvoorbeeld naar adressen te vragen en ook niet om getuigenverhoren te plannen. Hij gaf ook aan dat [verdachte] wel degelijk bereid zou zijn om in de zaak tegen [medeverdachte] als getuige een verklaring af te leggen. Hij deelde mij ook mede dat hij overweegt om aanhouding van de zaak te vragen om de getuigen alsnog te laten horen.
Ik heb daarop contact opgenomen met de raadsheer-commissaris en gevraagd of er aanvullend proces-verbaal opgemaakt zou kunnen worden (als er iets aanvullends op te merken zou zijn) en ook om verduidelijking gevraagd met betrekking tot de laatste alinea van dit proces-verbaal aangaande het niet doorgaan van het verhoor van [medeverdachte] . Ik begreep dat niet helemaal, zeker niet in combinatie met het feit dat [medeverdachte] al sinds 2011 in het BRP op hetzelfde adres in [plaats] staat ingeschreven.
Op de aktes van betekening heb ik gezien dat de oproepingen voor de zitting voor zowel [verdachte] als [medeverdachte] door " [betrokkene 53] " op het adres in ontvangst zijn genomen met de toezegging deze aan hen door te geleiden. Ik ga er dan ook vanuit dat deze verdachten op de hoogte zijn van de zitting en dat hun aanwezigheid daarbij gewenst is.
Een en ander heeft mij doen besluiten om de heren [medeverdachte] en [verdachte] als getuige te doen oproepen op de zitting. Deze oproeping is heden verstuurd aan het bekende adres in [plaats] . Ik ga er vanuit dat beide heren de agenda reeds hebben vrijgehouden of gemaakt om bij de inhoudelijke behandeling van hun zitting aanwezig te zijn. Nu ze op dezelfde dag ook beiden als verdachte zijn opgeroepen moet het geen probleem zijn om op die dag ook als getuige een verklaring af te leggen, zeker wanneer - zoals mr. Rombouts mij verzekerde - men juist graag wil verklaren.’
42. Het proces-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 14, 17, 21 en 23 september 2021 en 4 oktober 2021 houdt onder meer het volgende in:
‘ 14 september 2021
(…)
Daartoe door de voorzitter in de gelegenheid gesteld deelt de raadsman mede:
(…) Er dient ook rekening te worden gehouden met de omstandigheid dat geen van de toegewezen getuigen is gehoord. Ik heb met verbazing het proces-verbaal van de raadsheer-commissaris van 7 september 2021 gelezen. Vanaf de verwijzing van de zaak naar de raadsheer-commissaris op 3 juni 2016 is er immers, op één e-mail na waarin werd gevraagd om verhinderdata, niets met mij gecommuniceerd over de verwijzingsopdracht in de onderhavige zaak. Er is dus bijna 5,5 jaar niets gebeurd in deze zaak. Ik heb eerder ook reeds voorgesteld om eerst nogmaals een regiezitting te plannen, omdat er geen uitvoering is gegeven aan de verwijzingsopdracht. Ik heb vorige week contact gehad met de advocaat-generaal om te beproeven wat zij voor ogen had met de zaak. Ik had gehoopt dat de advocaat-generaal zou zeggen dat zij het niet meer redelijk zou vinden om cliënt terug te sturen naar de gevangenis, maar dat was helaas niet het geval. Dat blijkt ook uit de e-mail van de advocaat-generaal van 13 september 2021. Daardoor kijk ik ook op een bepaalde wijze naar het voeren van de verdediging en doe ik niet zomaar afstand van getuigen en formuleer ik dit evenmin als een soort voorwaardelijk verzoek. Ik handhaaf aldus het standpunt dat de eerder toegewezen getuigen alsnog gehoord moeten worden. De advocaat-generaal dacht dit te kunnen ondervangen door vandaag [medeverdachte] als getuige op te roepen. De reeds eerder toegewezen getuigenverzoeken worden aldus nog steeds gehandhaafd.
(…)
Daartoe door de voorzitter in de gelegenheid gesteld deelt de advocaat-generaal mede:
(…) Ik ben het niet eens met de stelling van de raadsman dat er na de verwijzing naar het kabinet RH-C niets is gebeurd. Er zijn immers twee processen-verbaal van de raadsheer-commissaris waaruit blijkt wat er is gebeurd. Dat de toegewezen getuigen niet zijn gehoord, is niet iets waar het openbaar ministerie invloed op heeft. In de onderhavige zaak zijn drie getuigen toegewezen, te weten [medeverdachte] , [betrokkene 35] en [betrokkene 12] . De getuigen [betrokkene 12] en [betrokkene 35] zijn onvindbaar zoals gerelateerd door de raadsheer-commissaris in het proces-verbaal van bevindingen. Daarbij komt dat [betrokkene 35] kennelijk niet van plan is om als getuige een verklaring af te leggen, nu zijn raadsman, mr. Meijering, in de strafzaak tegen [betrokkene 35] te kennen heeft gegeven dat hij uitputtend geprobeerd heeft om zijn cliënt te bereiken, maar dat dit niet is gelukt.
(…)
De raadsman deelt daarop mede:
(…)
Ik ben mijn administratie nagegaan en heb gezien dat er geen communicatie is geweest met betrekking tot het inplannen van verhoren bij de raadsheer-commissaris. Er is over geen enkel getuigenverhoor met mij gesproken, behoudens één verzoek.om verhinderdata van de griffier van de raadsheer-commissaris. De opmerking van de advocaat-generaal hierover zou suggereren dat ik iets zeg dat niet klopt, en dat is niet goed.
(…)
Na beraad wordt het onderzoek hervat en deelt de voorzitter als beslissing van het hof mede:
(…) Het hof realiseert zich dat de verwijzing naar de raadsheer-commissaris teneinde een drietal getuigen te horen waanzinnig lang heeft geduurd en dat dit geen goede gang van zaken betreft. Het kabinet heeft echter wel meerdere rechtshulpverzoeken verstuurd en geprobeerd de getuigen te horen. Het horen van [medeverdachte] als getuige is fout gegaan (…). De andere twee toegewezen getuigen konden niet gevonden worden.
(…)
Daartoe door de voorzitter in de gelegenheid gesteld deelt de raadsman mede:
Zoals ik reeds, weliswaar wat laat voorafgaand voor de zitting, in mijn e-mail van 13 september 2021 heb kenbaar gemaakt, wens ik een aantal eerder afgewezen verzoeken thans te herhalen. In dat verband is van belang om nog het een en ander op te merken over de gang van zaken met betrekking tot de verwijzing naar de raadsheer-commissaris. (…)
Op 3 juni 2016 heeft het hof een aantal onderzoekswensen toegewezen, namelijk het horen van [medeverdachte] , [betrokkene 35] en [betrokkene 12] als getuigen. Vastgesteld kan worden dat het niet is gelukt om die getuigen te horen. De vraag is wat de raadsheer-commissaris hiertoe precies heeft gedaan, wat zij had kunnen doen en wat zij alsnog zou moeten doen. Ik stel nogmaals voorop dat er vanuit het kabinet, op één e-mail na die ik aan het hof zal overleggen, niet met de verdediging is gecommuniceerd. Dat vind ik onbegrijpelijk. In januari 2020 kwam het verzoek van de Verkeerstoren om verhinderdata door te geven in verband met de planning van een inhoudelijke behandeling. Dat verzoek kwam voor mij als een verrassing, omdat er nog geen uitvoering was gegeven aan de verwijzingsbeslissing. Ik heb daarop een e-mail gestuurd en naar aanleiding daarvan heb ik niets meer vernomen. Uiteindelijk is de inhoudelijke behandeling in deze periode gepland. Ik heb begin dit jaar wederom contact opgenomen en aangegeven dat het mijns inziens raadzaam is om eerst een regiezitting te plannen om de stand van zaken te bekijken. Ook daar is niets mee gedaan. Ik moet toegeven dat ik laat ben begonnen met de voorbereiding van deze zittingsdagen, maar in feite is er sinds de regiezitting in mei 2016 niets veranderd.
Zoals gezegd heb ik uiteindelijk contact gezocht met de advocaat-generaal om te beproeven wat voor afronding van de zaak zij voor ogen had. Pas toen werd ik via de advocaat-generaal op de hoogte gesteld van een proces-verbaal van bevindingen van de raadsheer-commissaris. Dat proces-verbaal heeft mij tot gisteren niet bereikt. Ik heb het enkel via de advocaat-generaal mogen ontvangen, ik geloof dat dat afgelopen vrijdag was. De vraag is of er nog andere correspondentie of processen-verbaal van de raadsheer-commissaris zijn die ik niet heb ontvangen. Dat kan ik niet nagaan. De vraag die ik aan het hof voorleg is of de raadsheer-commissaris wel dat heeft gedaan wat redelijkerwijze van haar kon worden verlangd. U zult begrijpen dat de verdediging die vraag ontkennend beantwoordt. Indien er contact met mij was opgenomen had ik mogelijk kunnen bemiddelen. Ik zal nu verder per getuige het een en ander naar voren brengen.
(…)
Voor de getuigen [betrokkene 12] en [betrokkene 35] geldt het volgende. Daarover is niets met de verdediging gecommuniceerd. Uit het proces-verbaal van de raadsheer-commissaris van 7 september 2021 wordt duidelijk dat de Britse autoriteiten hebben aangegeven dat er een afspraak kon worden gemaakt voor videoverhoren en dat er regelmatig is geprobeerd een datum af te stemmen. Ik heb al die tijd van niets geweten. Ik weet niet precies wat er is gebeurd. Ik vraag mij af hoe standvastig is getracht om de verhoren te laten plaatsvinden. Ik wil daarom de e-mails inzien om te kijken hoe vaak is geprobeerd om uitvoering te geven aan de verwijzingsopdracht. Gelet op deze stand van zaken kan ik nu niet vaststellen dat het onaannemelijk is dat deze getuigen binnen een aanvaardbare termijn kunnen worden gehoord. Er ligt immers een lijntje uit bij de Britse autoriteiten en er zijn adressen van de getuigen bekend. Het is kennelijk blijven steken bij het afstemmen van een datum. Daarom zou alsnog een poging moeten worden ondernomen om deze getuigen te horen.
In verband met het voorgaande verzoek ik om alle relevante verwijzingsstukken van de raadsheer-commissaris met betrekking tot de getuigen aan mij te verstrekken. Op die manier kan de verdediging inzien wat er na de verwijzing is gebeurd. Zitten er bijvoorbeeld andere processen-verbaal in dat dossier dan de processen-verbaal van bevindingen van 7 en 13 september 2021? Is er een reactie gekomen op het rechtshulpverzoek? Deze vragen zijn van belang om te kunnen beoordelen of daadwerkelijk kan worden gezegd dat het onaannemelijk is dat de getuigen binnen een aanvaardbare termijn kunnen worden gehoord.
(…)
Daartoe door de voorzitter in de gelegenheid gesteld deelt de advocaat-generaal in reactie op de raadsman mede:
Het klopt dat geen van de toegewezen getuigen is gehoord. Ik vraag mij af wat de relevantie is bij de vaststelling welke communicatie er is geweest tussen de raadsman en het kabinet in verband met de beoordeling of de getuigen binnen een aanvaardbare termijn kunnen worden gehoord. Ik twijfel niet aan de bevindingen van de raadsheer-commissaris zoals gerelateerd in de twee processen-verbaal. Ik acht het niet nodig om de onderliggende stukken aan het dossier toe te voegen, omdat er geen reden is om te twijfelen aan voornoemde processen-verbaal.
(…)
Voor de getuigen [betrokkene 12] en [betrokkene 35] geldt dat wat in het proces-verbaal van de raadsheer-commissaris staat correct is en het algemeen bekend is dat het vrijwel onmogelijk is om uit het Verenigde Koninkrijk een reactie te krijgen op een rechtshulpverzoek. Het is meerdere malen geprobeerd, maar niet gelukt. Ik acht het niet nodig om de onderliggende stukken van de raadsheer-commissaris te verstrekken. Ik acht het bovendien niet aannemelijk dat deze getuigen binnen een afzienbare tijd gehoord kunnen worden.
(…)
In reactie op de advocaat-generaal deelt de raadsman mede:
De vraag of het aannemelijk is dat de getuigen binnen een aanvaardbare termijn kunnen worden gehoord moet worden beoordeeld naar aanleiding van hetgeen heeft plaatsgevonden. De verdediging stelt zich op het standpunt dat de verhoren alsnog doorgang moeten krijgen. Van alle drie de getuigen zijn adressen bekend.
(…)
Met betrekking tot de getuigen [betrokkene 12] en [betrokkene 35] beticht ik de raadsheer-commissaris er niet van dat zij onwaarheden zou relateren, maar ik wens een standpunt te kunnen innemen over hoe aannemelijk het is dat deze getuigen gehoord kunnen worden. Daarbij is relevant hoeveel moeite er is gedaan door het kabinet.. Vooralsnog stel ik mij op het standpunt dat ook van deze getuigen kan worden gezegd dat we behoorlijk dichtbij een daadwerkelijk verhoor waren. Het is niet zo dat er niets is gebeurd. Het is enkel gestopt bij de feitelijke uitvoering. Dan zijn we zo dichtbij, dat ik vind – kijkend naar de hele gang van zaken en hoe lang er niets is gebeurd – dat het niet onaannemelijk is dat de getuigen alsnog komend jaar gehoord kunnen worden en dat dat alsnog moet gebeuren.
(…)
De advocaat-generaal deelt mede dat het haar voorkeur heeft om de reactie op de getuigenverzoeken vanmiddag op schrift te stellen, waar de verdediging eventueel op kan reageren en dat de zitting aanstaande vrijdag wordt hervat. Daarbij deelt de advocaat-generaal mede dat het standpunt van het openbaar ministerie uit 2016 mogelijk is gewijzigd in het licht van de Keskin-jurisprudentie en dat zij tijd nodig heeft om inhoudelijk op de verzoeken te kunnen reageren.
Daarop deelt de voorzitter mede dat de advocaat-generaal haar schriftelijke reactie per e-mail kan verzenden naar het hof en de raadsman.
(…)
’17 september 2021
(…)
De voorzitter deelt mede dat de advocaat-generaal op 15 september jl. haar schriftelijke reactie op de getuigenverzoeken heeft ingebracht en stelt de raadsman in de gelegenheid hierop te reageren.
Daarop deelt de raadsman mede:
Ten aanzien van de drie eerder toegewezen getuigen hoeven we het niet over het belang van de verdediging te hebben, want dat was eerder al onderkend en bestaat nog steeds. Bij deze getuigen dient de vraag te worden beantwoord of het aannemelijk is dat zij binnen een aanvaardbare termijn worden gehoord. Het standpunt van de advocaat-generaal hieromtrent is niet vol te houden, zeker niet als de zaak toch al zou worden aangehouden en daar kunnen we denk ik niet omheen, gelet op alle verzoeken. Als de zaak wordt aangehouden, dient dat aldus bij de beoordeling van de verzoeken te worden meegewogen. Juist omdat een verhoor van deze getuigen zo dichtbij is geweest, kan er nog een poging worden ondernomen. De adressen kloppen en er zijn contacten gelegd bij de buitenlandse autoriteiten. Het is dus een kwestie van tijd dat de verhoren zouden plaatsvinden.
(…)
In reactie daarop deelt de advocaat-generaal mede:
Na de Keskin-jurisprudentie geldt niet dat bij alle voor het bewijs gebruikte getuigenverklaringen, ongeacht de stand van zaken, de inhoud van het dossier en de proceshouding, een verdedigingsbelang bestaat om deze getuigen te horen.
De omstandigheid dat het openbaar ministerie zich in 2016 op een bepaald standpunt heeft gesteld betekent niet dat dat standpunt in 2021 nog onverkort geldt. Ik heb gelet op de huidige stand van zaken en de kennis van nu bij het. innemen van het standpunt. Voor het overige persisteer ik.
(…)
De voorzitter vervolgt met mededelen van de beslissingen van het hof:
Het hof wijst af het verzoek om verstrekking van het dossier van de raadsheer-commissaris. Door de raadsheer-commissaris zijn twee processen-verbaal van bevindingen opgemaakt en het hof acht dat voldoende.
Het hof zal de beslissingen op de gedane getuigenverzoeken aanhouden en op de verzoeken beslissen uiterlijk bij arrest, dan wel zoveel eerder als het hof dat aangewezen acht. Het hof wenst verder te gaan met de inhoudelijke behandeling.
De raadsman deelt daarop het volgende mede:
Ik heb mij gerealiseerd dat dit een mogelijkheid zou kunnen zijn, maar ik dacht dat het hof dat toch niet zou doen. Ik vind het een buitengewoon onbevredigende en onwenselijke gang van zaken. Ik heb reeds uitgelegd waarom ik vind dat de zaak niet gereed is voor een inhoudelijke behandeling. Ik ben nu hiertoe niet geëquipeerd. Ik heb op de vorige zitting een groot aantal verzoeken gedaan, waarvoor geldt dat het openbaar ministerie zich daar eerder niet tegen heeft verzet. Ik ben het dan ook niet eens met deze gang van zaken. Ik begrijp niet dat het hof een beslissing op alle gedane getuigenverzoeken aanhoudt. Van een enkel verzoek had ik mij dat wellicht nog kunnen voorstellen. Ik neem sterk afstand van deze gang van zaken. Dat het hof nu door wil gaan met de inhoudelijke behandeling, gaat ten koste van het belang van mijn cliënt.
Ik verzoek het hof de behandeling voor een korte tijd te schorsen zodat ik mij kan beraden.
(…)
De raadsman vervolgt het woord als volgt:
Ik ben het nog steeds hartgrondig oneens met het vooruit schuiven van de beslissingen op de getuigenverzoeken, omdat dit zozeer de inhoudelijke behandeling raakt. Het dossier zal nu besproken worden terwijl cruciale getuigen nog gehoord moeten worden. Ik heb het er echter mee te doen. Het gaat niet alleen om getuigen die belastend hebben verklaard, maar het gaat ook om getuigen die kunnen verklaren hoe het wél is gegaan. Zij kunnen ontlastend verklaren. Ik neem stellig afstand van de beslissing van het hof om door te gaan met de inhoudelijke behandeling. Ik zal wel aanwezig blijven, maar u hoeft van mij geen actieve inbreng te verwachten.
Wel vraag ik het hof om één beslissing te heroverwegen, omdat dit nodig is voor het schrijven van het pleidooi. Om een standpunt in te nemen of het onaannemelijk is dat de reeds toegewezen getuigen binnen een aanvaardbare termijn kunnen worden gehoord is het mapje van de raadsheer-commissaris van belang. Ik zie niet in wat het bezwaar is als ik hiervan een afschrift ontvang. Ik verzoek het hof daarom terug te komen op deze beslissing.
Ten aanzien van de getuigenverzoeken geef ik het hof nog mee dat wellicht voorafgaand aan het pleidooi een beslissing kan worden genomen op deze verzoeken. Mocht het hof daarvoor bijvoorbeeld vandaag meer tijd nodig hebben dan vind ik dat geen probleem. Ik zie niet in wat er gedurende de inhoudelijke behandeling kan plaatsvinden wat van belang zou kunnen zijn voor een beslissing op die verzoeken.
De voorzitter deelt mede dat het mapje van de raadsheer-commissaris vertrouwelijke informatie tussen landen bevat dat niet bestemd is om verder te verspreiden.
De raadsman deelt daarop mede:
Hoewel ik niet precies begrijp wat er vertrouwelijk is aan die informatie, kan ik mij ook voorstellen dat die delen kunnen worden weggelakt. Het gaat er om dat de verdediging kan toetsen welke pogingen er zijn ondernomen om de getuigen te horen. Ik voel mij nu een soort afgescheept met een tweetal processen-verbaal van de raadsheer-commissaris die een week respectievelijk een dag voor de zitting zijn opgemaakt. Ik wil kunnen toetsen hoe frequent er is gecommuniceerd met de Engelse autoriteiten, als dat al is gebeurd. Ik vraag het hof om daar over na te denken.
De advocaat-generaal deelt daarop mede:
Ik beschik ook niet over het mapje van de raadsheer-commissaris en heb ook alleen maar de twee processen-verbaal. Als tussenweg stel ik voor dat de raadsman vragen opstelt die de raadsheer-commissaris kan beantwoorden. Ik begrijp immers wel dat de raadsman vragen heeft en de achterliggende gedachte begrijp ik ook. Ik neem ook aan dat de raadsheer-commissaris zal verklaren als er vragen aan haar worden gesteld.
(…)
De voorzitter stelt de raadsman in de gelegenheid te reageren op het voorstel van de advocaat-generaal. De raadsman deelt mede:
Ik handhaaf het primaire standpunt dat de stukken onderdeel uitmaken van het dossier. Als het daadwerkelijk om redenen van vertrouwelijkheid wordt onthouden dan bestaan er genoeg manieren om dat te ondervangen. Natuurlijk heb ik de vertrouwelijkheid van stukken te waarborgen, dus het onder embargo verstrekken of ter inzage beschikbaar stellen is ook mogelijk. Als het hof dat afwijst, dan wenst de verdediging in de gelegenheid te worden gesteld om vragen te stellen aan de raadsheer-commissaris.
Ik stel nogmaals aan de orde dat ik het zeer wenselijk zou vinden als het hof al een voorlopige beslissing kan geven op de getuigenverzoeken. Het zou erg jammer zijn als er naar aanleiding van deze inhoudelijke behandeling een tussenarrest wordt gewezen of het eindarrest om deze reden uiteindelijk door de Hoge Raad wordt vernietigd. Dan zal er immers nog meer vertraging ontstaan. Ik verzoek het hof daarom om de beslissing met betrekking tot de getuigenverzoeken te heroverwegen.
(…)
Na beraad wordt het onderzoek hervat en deelt de voorzitter als beslissing van het hof mede:
Met betrekking tot de map van de raadsheer-commissaris is het hof van oordeel dat het rechtshulpverzoek op zich door de verdediging zou kunnen worden ingezien. De overige stukken betreffen diplomatiek verkeer tussen staten en die worden niet aan het dossier toegevoegd. Wel krijgt u de gelegenheid om de vragen die u heeft aan de raadsheer-commissaris op schrift te stellen zodat het hof deze aan haar zal doorgeleiden.
Het hof ziet geen reden om de beslissing tot aanhouding van het nemen van beslissingen op de getuigenverzoeken te heroverwegen.’
43. Bij de aan de Hoge Raad gezonden stukken bevindt zich een e-mail van 20 september 2021, namens de raadsheer-commissaris gericht aan de griffier, de raadsman van de verdachte en de advocaat-generaal. Bij deze e-mail zit een bijlage met als titel ‘Beantwoording vragen mr. Rombouts.pdf’. Deze bijlage houdt onder meer het volgende in:
‘ 1. Kunt u bevestigen dat er op geen enkel moment contact is geweest met de verdediging in de zaak [medeverdachte] omtrent de uitvoering van de verhoren?
Nee, er is in ieder geval op de volgende data ten minste telefonisch contact geweest met u en/of uw kantoor: 1 juni 2017, 3 augustus 2017, 13 augustus 2017, 20 februari 2021 en 13 april 2021. De genoemde contacten waren telkens telefonisch en het contact werd telkens opgenomen dan wel beantwoord door de griffier in deze zaak, [betrokkene 54] .
2. Zo ja, is daar een bijzondere reden voor?
Zie het antwoord op vraag 1.
3. Zo nee, wanneer en hoe heeft dat contact dan plaatsgevonden? Ik zie noch in mijn tijdschrijfformulieren, noch in mijn mail enige aanwijzing daarvoor en ik kan mij evenmin herinneren dat wij daarover ooit contact hebben gehad.
Zie het antwoord op vraag 1.
4. Zijn er naast de 2 eerder genoemde processen-verbaal stukken onder uw verantwoordelijkheid opgemaakt met betrekking tot de verwijzing?
Ja, namelijk een rechtshulpverzoek aan Groot-Brittannië en Portugal.
5. Zo ja, zijn deze conform het Landelijk Strafprocesreglement (art. 4.1.9) verstrekt aan het openbaar ministerie en de advocaat van de verdachte(n)? Indien dit niet is gebeurd, wat is daarvoor de reden?
Nee, rechtshulpverzoeken worden niet verstrekt in het kader van de interstatelijke vertrouwelijkheid.
(…)
8. Ten aanzien van de getuigen [betrokkene 12] en [betrokkene 35] blijkt uit het door u opgemaakte proces-verbaal van bevindingen dat de gang van zaken aanvankelijk bemoedigend leek. U heeft gerelateerd dat de Britse autoriteiten op 28 februari 2019 hebben aangegeven dat er een afspraak kon worden gemaakt om videoverhoren in te plannen. U heeft vervolgens gerelateerd dat er sindsdien regelmatig is geprobeerd om via e-mail of telefonisch een datum af te stemmen, maar dat daar geen reactie op is gekomen. Mijn vraag is nu hoe regelmatig regelmatig is. Is er bijgehouden wanneer er precies is gebeld? En hoe vaak en op welke data is er schriftelijk gecommuniceerd na 28 februari 2019?
Op de volgende drie data is er opgeschreven dat er gerappelleerd is: 22 januari 2020, 24 november 2020 en 12 april 2021. Daarnaast wordt voor alle lopende rechtshulpverzoeken in een overleg telkens bekeken wat de stand van zaken is, waarbij ook de rechtshulpverzoeken inzake Yox 2 aan de orde zijn gekomen. Die overleggen hebben plaatsgevonden op 31 januari 2020, 15 september 2020, 24 november 2020 en 4 februari 2021. Telkens worden onmiddellijk na een dergelijk overleg de te entameren acties ter hand genomen, dus ook op of rond deze data zal er gerappelleerd zijn, maar daarover is niets vastgelegd. Blijkens de bijgevoegde emailcorrespondentie is er tussen 28 februari 2019 en 28 juli 2019 ook op regelmatige basis emailverkeer geweest. Een uitdraai van deze e-mailcorrespondentie treft u bijgaand aan.‘
44. Achter de e-mail namens de raadsheer-commissaris van 20 september 2021 zit voorts correspondentie van het kabinet van de raadsheer-commissaris met het Britse Home Office. Deze correspondentie houdt onder meer het volgende in:
‘ Van:UK Central Authority < [e-mailadres 1] @homeoffice.gov.uk>
Verzonden:zondag 28 juli 2019 13:54
Aan:[betrokkene 54] (Hof Den Haag)
CC:[e-mailadres 2] @homeoffice.gov.uk; ircdenhaag@politie.nl; Kabinet RHC (Hof Den Haag)
Further to our email of 11/06/2019, we would be grateful if you can provide an update on the new dates for a Videolink, please note we will require at least 8 weeks notice to be able to organise a Videolink.
Thank you,
[betrokkene 55]
Dear Sir/Madam
Thank you for your email.
I would advise you to provide at least two dates for the video link hearing as there is a lot of pressure on court time in major UK cities.
Regards
[betrokkene 56]
Tel: 020 7035 1271
(…)
Van:UK Central Authority [mailto: [e-mailadres 1] @homeoffice.gov.uk)
Verzonden:zaterdag 11 mei 2019 15:22
Aan:[betrokkene 54] . (Hof Den Haag) < [e-mailadres 3] @rechtspraak.nl>
CC:[e-mailadres 2] @homeoffice.gov.uk; Kabinet RHC (Hof Den Haag) ; rcdenhaag@politie.nl
Thank you for your email of 12 October 2018 with additional information and explaining you were unable to find a date for the Videolink at that time.
Further to our emails of 20/01/2019 and 09/03/2019, we would be grateful if you can confirm if you still require this EIO to be executed, if you require this EIO to be executed we would be grateful if you can provide an update on when you expect to be able to provide a date for the Videolink.
If we do not hear back by 11/06/2019 we will consider grounds for non recognition of this EIO.
Thank you,
[e-mailadres 2]
Dear [betrokkene 54] ,
Thank you for your email of 12 October 2018 with additional information and explaining you were unable to find a date for the Videolink at that time.
We would be grateful if you can confirm if you still require this EIO to be executed, if you require this EIO to be executed we would be grateful if you can provide an update on when you expect to be able to provide a date for the Videolink.
Thank you,
[e-mailadres 2] ’
45. Het onderzoek ter terechtzitting is vervolgens op 21 september 2021 hervat. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 14, 17, 21 en 23 september 2021 en 4 oktober 2021 houdt onder meer het volgende in:
‘ 21 september 2021
(…)
De voorzitter deelt mede dat het hof gisteren de op schrift gestelde antwoorden op de vragen van de raadsman heeft ontvangen van de raadsheer-commissaris, in aanvulling op de eerder door het kabinet verstrekte processen-verbaal van 7 resp. 13 september 2021.
(…)
23.september 2021
(…)
De raadsman voert het woord tot verdediging overeenkomstig zijn overgelegde en in het procesdossier gevoegde pleitnota.
(…)
De advocaat-generaal. krijgt de gelegenheid tot repliek en voert daartoe overeenkomstig haar overgelegde en in het dossier gevoegde aantekeningen het woord, voor zover relevant voor de onderhavige zaak. Daarop aanvullend deelt zij mede:
(…)
- Inzake de eerder toegewezen getuigenverzoeken [betrokkene 35] en [betrokkene 12] : Ik heb van de raadsheer-commissaris begrepen dat de correspondentie die als bijlage is gevoegd bij de op schrift gestelde antwoorden niet het enige is, maar dat daarnaast ook telefonisch contact is opgenomen waarvan echter geen aantekeningen zijn gemaakt. Op grond van de inhoud van het dossier zoals het er nu ligt, kan op zichzelf niet worden geconcludeerd dat het niet onaannemelijk is dat deze getuigen niet binnen een aanvaardbare termijn kunnen worden gehoord. Ik verkeer echter wel in de stellige overtuiging dat wanneer opnieuw wordt getracht deze getuigen te horen de uitkomst niet anders zal zijn. Het is immers aannemelijk dat deze getuigen geen verklaring zullen afleggen, als ze al bereikt kunnen worden. Daarop mag echter niet vooruit gelopen worden.
(…)
De raadsman krijgt de gelegenheid tot dupliek en deelt daarop mede:
(…)
Met betrekking tot de eerder toegewezen getuigen [betrokkene 35] en [betrokkene 12] druk ik mij voorzichtig uit als ik zeg dat het niet goed is gegaan bij de raadsheer-commissaris. Het is duidelijk dat niet gezegd kan worden dat deze getuigen niet binnen een aanvaardbare termijn gehoord kunnen worden. Dat er ook sprake zou zijn geweest van telefonisch contact zoals de advocaat-generaal stelt, blijkt niet uit de correspondentie tussen de Engelse autoriteiten en het kabinet die als bijlage is gevoegd bij de op schrift gestelde antwoorden van de raadsheer-commissaris. Ook ik heb geen telefonisch contact gehad met het kabinet. Ik houd mijn uren zeer nauwkeurig bij en daaruit blijkt niet dat dit telefonische contact er is geweest. Daarnaast kan ik het mij ook niet herinneren. Als er al daadwerkelijk telefonisch contact is geweest met de Engelse autoriteiten, blijft nog steeds de vraag spelen waarom geen datum voor een verhoor ingepland kon worden.
Ik ben blij dat de advocaat-generaal voor het overige mijn standpunt deelt ten aanzien van deze twee getuigen en ik hoop dat het hof dat ook doet. Bij pleidooi heb ik bij de bespreking van de feiten aangegeven op welke punten deze verzochte getuigen relevant zouden kunnen zijn. Het belang bestaat onverkort.’
46. De pleitnota houdt onder meer het volgende in:
‘ HERHAALD VERZOEK TOT AANHOUDING EN HET HOREN VAN GETUIGEN
Ik heb er geen geheim van gemaakt dat het mij ten zeerste heeft verbaasd dat de onderhavige zaken thans tot een inhoudelijke afronding lijken te komen.
Hoewel er van een echte inhoudelijke behandeling weinig sprake lijkt. Er zijn niet minder dan 5 zittingsdagen voor de zaak uitgetrokken, terwijl het bespreken van de feiten nog geen minuut heeft geduurd.
Het heeft er alle schijn van dat uw hof de zaken coûte que coûte wenst af te ronden en ik kan dat gelet op het verloop van de procedure in hoger beroep maar moeilijk plaatsen. Ik acht het van belang om het verloop van de procedure in hoger beroep nog eens op een rij te zetten.
Op 27 maart 2014 is door de rechtbank vonnis gewezen. Daartegen is op 10 april 2014 hoger beroep ingesteld. Binnen de daarvoor gestelde termijn is een appelschriftuur ingediend, inhoudende – onder meer – het verzoek om 38 getuigen te horen (in de zaak tegen [betrokkene 52] ging het om 3 getuigen). In het schriftuur is tevens aangegeven dat de verdediging zich niet kan verenigen met de bewezenverklaring.
Daarna was het lange tijd stil. Pas ruim 2 jaar later (op 20 mei 2016) is er een regiezitting gepland, waarop de onderzoekswensen van de verdediging zijn besproken.
Het grootste gedeelte van de gedane verzoeken is afgewezen. Daarbij is een motivering gehanteerd die gelet op de nadien gewezen Keskin-jurisprudentie niet houdbaar lijkt. Ik kom daar zo nog op terug.
Maar er is ook een aantal verzoeken toegewezen. In de zaak tegen [medeverdachte] zijn toegewezen de getuigen [betrokkene 35] , [betrokkene 12] en [verdachte] . In de zaak tegen [verdachte] zijn dezelfde getuigen toegewezen, zij het dat [medeverdachte] in zijn zaak als getuige gehoord diende te worden. (…)
Teneinde aan de verwijzingsbeslissing gevolg te geven is de zaak verwezen naar de raadsheer-commissaris. De verdediging heeft sindsdien niets meer vernomen over de zaak, met uitzondering van één verzoek van de griffier van de raadsheer-commissaris om verhinderdata door te geven. Die verhinderdata zijn doorgegeven, maar daarna werd het weer stil. Uw hof heeft mij op de zitting van 17 september in de gelegenheid gesteld een aantal schriftelijke vragen aan de raadsheer-commissaris te stellen. Naar aanleiding van een van die vragen, heeft de raadsheer-commissaris een aantal data genoemd waarop er contact zou zijn geweest met mij of met mijn kantoor. Die contacten zouden telefonisch zijn geweest en telkens zijn gelegd door de griffier.
Ik moet u zeggen dat ik een behoorlijk nauwgezette administratie van de door mij gewerkte tijd bijhoudt. Ik heb op geen van de genoemde data werkzaamheden in de zaak geregistreerd staan. Mogelijk dat die contacten zijn blijven steken in een poging contact te krijgen of dat die contacten zagen op contact met mijn voormalig kantoorgenoot mr. Huibers, de raadsman van [verdachte] . De genoemde data in juni en augustus 2017 doen dat in elk geval wel vermoeden.
Ik kan mij geen ander contact herinneren dan een eenmalig verzoek om verhinderdata. Overigens is er in elk geval geen contact vastgelegd en blijft ook in het ongewisse waarover die contacten dan zouden zijn gegaan.
Wat daar verder ook van zij, ik heb pas weer iets vernomen omtrent de zaak toen er bericht van de verkeerstoren kwam met het verzoek om verhinderdata voor het inplannen van de zaak voor een inhoudelijke behandeling. Ik heb toen aangegeven dat de zaak wat mij betreft nog niet klaar was voor inhoudelijke behandeling, omdat er bij mijn weten nog helemaal niets was gedaan met de verwijzingsbeslissing. Ik heb daarop ook direct schriftelijk gereageerd, welke correspondentie ik uw hof op de eerste zittingsdag heb overgelegd.
Mijn opmerkingen hebben niet geleid tot bijvoorbeeld het inplannen van een korte regiezitting, maar de zaken zijn inhoudelijk gepland.
In de week voorafgaand aan de eerste zittingsdag had ik contact met de advocaat-generaal. Ik had dit contact gezocht om te beproeven op welke wijze zij de afdoening van de zaken voorstond. De advocaat-generaal vertelde mij dat ze – in elk geval in de zaak tegen [medeverdachte] – nog voornemens was om een straf te eisen die erop neer zou komen dat hij nog terug de gevangenis in zou moeten.
Pas toen ik gewag maakte van het feit dat ik nooit iets omtrent de verwijzing had vernomen, wees zij mij op een proces-verbaal van bevindingen van de raadsheer-commissaris d.d. 7 september jl. Dat proces-verbaal heb ik niet vanuit het kabinet RHC ontvangen, maar de advocaat-generaal heeft het mij 2 werkdagen voorafgaand aan de eerste zittingsdag doen toekomen.
(…)
Dan zijn er de verzoeken om de 2 in Engeland verblijvende getuigen te kunnen horen. Het gaat om de getuigen [betrokkene 35] en [betrokkene 12] . Het belang bij het horen van die getuigen staat volgens mij niet ter discussie. Uw hof heeft deze getuigenverzoeken eerder toegewezen en ook het openbaar ministerie had zich daartegen niet verzet.
Maar wat is er nu gedaan om deze getuigen gehoord te krijgen? Wederom heeft alles zich volstrekt buiten mijn gezichtsveld afgespeeld. Ik begrijp daar eerlijk gezegd helemaal niets van. Wat ik ook niet begrijp is, dat ik daarnaar gevraagd geen inzage mocht hebben in het zogenaamde verwijzingsmapje. Ik moet toch kennis kunnen dragen van dezelfde informatie als die waarover uw hof beschikt? Het argument dat dat om diplomatiek verkeer zou gaan zou, nog afgezien van de validiteit van dat argument, ook op andere wijzen kunnen worden ondervangen. Ik denk bijvoorbeeld aan het zwart lakken van bepaalde gedeelten, of het alleen ter inzage aanbieden.
Hoe dan ook, u heeft het mij geweigerd en daar maak ik nogmaals bezwaar tegen. Ik verzoek andermaal om mij afschrift van die stukken te verstrekken.
Wel ben ik in de gelegenheid gesteld om de raadsheer-commissaris een aantal vragen te stellen. De beantwoording van die vragen hebben mijn vermoedens wel bevestigd moet ik u zeggen. Ik heb met enorme verbazing kennis genomen van de reactie van de raadsheer-commissaris. Vooral afgezet tegen hetgeen in het door haar opgemaakte proces-verbaal van bevindingen staat gerelateerd omtrent de pogingen die zijn ondernomen om de in Engeland verblijvende getuigen te kunnen horen.
Want wat relateert de raadsheer-commissaris? In het proces-verbaal van 7 september 2021 staat te lezen dat er op 19 maart 2018 een EOB aan de Britse autoriteiten is gestuurd. Op 13 september 2018 is een ontvangstbevestiging gekomen en is om aanvullende informatie gevraagd. Op 13 oktober 2018 zou die informatie zijn toegestuurd, waarna de Britse autoriteiten op 28 februari 2019 hebben aangegeven dat er een afspraak gemaakt kon worden. Ondanks regelmatige pogingen zou dit niet zijn gelukt. Dat wekt de suggestie alsof de Engelsen de zaak hebben laten versloffen en dat het om die reden niet aannemelijk zou zijn dat de getuigen binnen een aanvaardbare termijn kunnen worden gehoord.
Maar wat blijkt nu uit de door de raadsheer-commissaris toegevoegde email-correspondentie?
Inderdaad is op 12 (en niet 13) oktober 2018 gereageerd door de griffier van de raadsheer-commissaris op het verzoek om aanvullende informatie. Ze schrijft in die mail dat zij zo snel mogelijk een aantal data zal voorstellen.
Maar dat gebeurt helemaal niet. Omdat het stil bleef van deze zijde, kwam er een rappel vanuit de Britse autoriteiten met de vraag of nog steeds gewenst wordt dat uitvoering wordt gegeven aan het verzoek en of er dan een datumvoorstel kan komen. Er volgde geen reactie van Nederlandse kant.
Uit de door de raadsheer-commissaris verstrekte correspondentie haal ik dat nadien van Engelse zijde nogmaals is gerappelleerd op 20 januari 2019 en op 9 maart 2019. Wederom geen reactie vanuit het kabinet RHC.
Ik moet u zeggen dat ik het nauwelijks kon geloven toen ik dat las. Op 11 mei 2019 komt er nog een rappel van Engelse zijde, waarin wordt gerefereerd aan de eerdere rappellen. Dan wordt er maar opgemerkt dat als ze voor 11 juni 2019 niets meer vernemen, ze er dan vanuit gaan dat het rechtshulpverzoek niet langer gewenst is.
En gebeurt er dan iets? Warempel. Op de uiterste dag van die termijn, komt er een mail vanuit het kabinet RHC. Met excuses voor de late reactie. En de mededeling dat uitvoering van het verzoek nog steeds gewenst is. Maar niet met een datum. Deze zal binnen een week worden voorgesteld, zo belooft de griffier van de raadsheer-commissaris. En gebeurt dat?
Nee. Weer moeten de Engelsen rappelleren. Op de mail van 11 juni 2019 is direct gereageerd door de Engelsen, maar vanuit Nederland blijft het weer stil. Dan komt op 28 juli andermaal een bericht van de Engelse autoriteiten met het verzoek om een datum door te geven.
Verdere correspondentie is niet bijgevoegd.
Ik moet u zegen dat ik deze gang van zaken vind grenzen aan het onfatsoenlijke. Er wordt een verzoek om rechtshulp gedaan aan een buitenlandse autoriteit. Dat verzoek wordt ingewilligd en daarna wordt er vanuit Nederlandse kant keer op keer niet gereageerd op uitnodigingen om een datum af te stemmen.
Ik weet eerlijk gezegd ook niet wat ik nou van het proces-verbaal van bevindingen van de raadsheer-commissaris moet vinden. Zij schrijft dat de Britse autoriteiten op 28 februari hebben aangegeven dat er een afspraak gemaakt kon worden om een videoverhoor te houden. Ze schrijft ook dat er nadien regelmatig is geprobeerd om een datum af te stemmen.
Het proces-verbaal van bevindingen lezende, zou je de indruk kunnen krijgen dat door de Nederlandse autoriteiten regelmatig is geprobeerd een datum af te stemmen. Maar het tegenovergestelde is waar. Het zijn juist de Engelsen die keer op keer vragen om met een voorstel voor een datum te komen. Uit de bijgevoegde correspondentie kan ik niet halen dat dat op enig moment is geprobeerd. Terwijl als ik de correspondentie zo lees, een daadwerkelijk verhoor zeer nabij leek. Er hoefde alleen een datum te worden afgestemd.
Gelet op deze gang van zaken kan toch onmogelijk worden volgehouden dat de raadsheer-commissaris zich voldoende moeite heeft getroost om de opgedragen verhoren daadwerkelijk uit te voeren.
Laat staan dat nu tot het oordeel wordt gekomen dat het niet aannemelijk (meer) is dat ze alsnog binnen een aanvaardbare termijn kunnen worden gehoord.
Ik persisteer daarom bij het ter zitting van 14 september reeds ingenomen standpunt dat deze getuigen alsnog gehoord dienen te worden.
Tussenconclusie ten aanzien van de 4 eerder toegewezen getuigen
Ik kom tot een afronding van de bespreking van de 4 al eerder toegewezen getuigen. Ze hebben met elkaar gemeen dat het verdedigingsbelang bij het horen van deze getuigen niet ter discussie staat. Openbaar Ministerie en verdediging, maar ook uw hof hebben dat belang onderkend. Het belang bij het horen van deze getuigen is onverkort aanwezig.
We kunnen vaststellen dat de getuigen niet zijn gehoord. Ik ben van mening dat de inspanningen die daartoe door de raadsheer-commissaris getroost volstrekt onvoldoende zijn geweest. Dat de zaak zo lang is blijven liggen kan toch moeilijk aan de verdediging worden tegengeworpen. Dat zou een rol moeten spelen bij de beoordeling van de vraag of het aannemelijk is dat de getuigen alsnog gehoord kunnen worden. Wat mij betreft zou uw hof niet tot de vaststelling mogen komen dat dat zo is. Vooral ook niet omdat van alle getuigen adressen bekend zijn en voor zover er contacten met buitenlandse autoriteiten gelegd dienen te worden, speelt een rol dat de lijnen daartoe reeds zijn uitgezet.
(…)
ZAAKSDOSSIER 17
Zowel [verdachte] als [medeverdachte] zijn veroordeeld voor de overdracht van het bedrag van € 35.900, en [medeverdachte] is daarnaast veroordeeld voor het bedrag van € 41.600,-. Ook in deze zaken wreekt zich weer dat de direct betrokkenen, te weten de broers [betrokkene 12] en [betrokkene 35] niet gehoord zijn. Of het daadwerkelijk tot een overdracht is gekomen staat wat mij betreft onvoldoende vast. Dat staat een bewezenverklaring wat mij betreft in de weg. Maar daarnaast blijft overeind staan dat het toch gek zou zijn indien tot een bewezenverklaring zou worden gekomen zonder dat de direct betrokkenen daarover kunnen worden gehoord.’
47. Het hof heeft de getuigenverzoeken van de verdediging afgewezen. Het arrest houdt wat dat betreft, voor zover voor de beoordeling van de middelen van belang, het volgende in:
‘ Getuigenverzoeken en in verband daarmee het verzoek tot aanhouding van de zaak
Ter terechtzitting in hoger beroep van 14 september 2021 heeft de raadsman opnieuw verzocht om 13, reeds eerder bij appelschriftuur verzochte, getuigen te horen alsmede, voor het eerst in deze procedure, om [betrokkene 21] te horen.
Het hof heeft bij tussenbeslissing van 3 juni 2016 het verzoek tot het horen van de getuigen [betrokkene 35] , [betrokkene 12] en [medeverdachte] toegewezen en de stukken in zoverre in handen van de raadsheer-commissaris (hierna ook wel: ‘RH-C’) gesteld. De overige getuigenverzoeken heeft het hof toen afgewezen.
Als algemeen beoordelingskader hanteert het hof de “post-Keskin" jurisprudentie van de Hoge Raad.
De getuigenverzoeken
(…)
[betrokkene 35] en [betrokkene 7]
Deze twee personen hebben beiden geen (voor de verdachte belastende) verklaringen afgelegd.
Deze twee personen zijn blijkens de appelschriftuur verzocht als getuigen in verband met het in het dossier beschreven geldbedrag van £ 135.000,-. Verder strekkende redenen om deze getuigen te horen zijn door de raadsman (ook daarna) niet naar voren gebracht.
Nu het hof de tenlastelegging deels nietig zal verklaren, voor zover die volgens het Openbaar Ministerie ziet op deze overmaking van £ 135.000, -, is elk belang om deze getuigen te horen daardoor vervallen. Het hof is van oordeel dat redelijkerwijs valt aan te nemen dat de verdachte niet geschaad wordt in zijn verdediging door het niet horen van deze getuigen en acht dit ook overigens niet noodzakelijk. (Reeds) Om die reden zal het hof geen nieuwe pogingen in het werk (laten) stellen om [betrokkene 35] als getuige te horen respectievelijk wijst het hof het verzoek tot het horen van [betrokkene 7] af.
Overigens geldt ten aanzien van [betrokkene 35] hetzelfde als hierna in de eerste twee alinea's is opgenomen ten aanzien van [betrokkene 12] .
[betrokkene 12]
Deze toegewezen getuige heeft, althans had, een adres in het Verenigd Koninkrijk. Uit het proces-verbaal van de raadsheer-commissaris d.d. 7 september 2021, aangevuld op 13 september 2021 met schriftelijke antwoorden op de door de raadsman, schriftelijk gestelde vragen, blijkt, althans komt naar voren, dat het kabinet van de raadsheer-commissaris – na een periode van weinig activiteit in 2019 – in 2020 en in 2021, laatstelijk op 21 april 2021, regelmatig heeft geprobeerd om een datum voor verhoor af te stemmen met de Britse autoriteiten, maar dat daarop (tot 13 september 2021) geen reactie is gekomen. Naar het oordeel van het hof zijn (door de raadsheer-commissaris) voldoende pogingen gedaan om gevolg te geven aan de opdracht van het hof.
Het hof is voorts – gelet op deze gang van zaken – van oordeel dat onaannemelijk is dat de getuige binnen een aanvaardbare termijn zal kunnen worden gehoord, en zal derhalve niet opnieuw daartoe pogingen (laten) ondernemen.
Het hof voegt hieraan toe dat het een getuige betreft die tegenover de politie, en voor zover het hof bekend ook overigens, geen enkele inhoudelijke verklaring heeft afgelegd en dus niet belastend heeft verklaard over de verdachte. Van een getuige à charge is derhalve geen sprake.
[betrokkene 12] is overigens op 9 januari 2013 in de zaak van verdachte als getuige gehoord, bij de rechter-commissaris en heeft zich toen ten aanzien van alle vragen op zijn verschoningsrecht beroepen.
In hoeverre (en wat dan in concreto) de verzochte getuige voor de verdachte ontlastend zou kunnen verklaren, is overigens door de verdachte noch door zijn raadsman gespecificeerd, laat staan onderbouwd. Het hof is overigens ook van oordeel dat redelijkerwijs valt aan te nemen dat de verdachte niet in zijn verdediging wordt geschaad door het niet horen van deze getuige, dat daartoe overigens ook geen noodzaak bestaat en ziet ook deswege geen reden om nogmaals pogingen in het werk te (laten) stellen om deze getuigen te horen.’
Bespreking van het tweede middel
48. Het tweedemiddel bevat de klacht dat het hof ten onrechte, althans onvoldoende gemotiveerd, de verzoeken tot het horen van de getuigen [betrokkene 35] en [betrokkene 12] heeft afgewezen. ’s Hofs beslissing dat er geen verdedigingsbelang zou zijn bij het horen van de getuigen zou tegen de achtergrond van het procesverloop en al hetgeen eerder over dat belang zou zijn gecommuniceerd en vastgesteld, onvoldoende gemotiveerd en onbegrijpelijk zijn. Bovendien zou het hof in het geval van de getuige [betrokkene 12] vooruit zou zijn gelopen op wat hij mogelijk wel of niet zou kunnen en willen verklaren. En ’s hofs oordeel dat niet aannemelijk is dat [betrokkene 12] binnen een aanvaardbare termijn gehoord kan worden zou onbegrijpelijk zijn.
49. De verdediging heeft bij appelschriftuur van 23 april 2014 verzocht beide getuigen te horen en dit verzoek op de terechtzitting van 20 mei 2016 herhaald. Op de terechtzitting van 3 juni 2016 heeft het hof de getuigenverzoeken toegewezen en de zaak naar de raadsheer-commissaris verwezen teneinde (onder meer) deze getuigen te horen. Deze getuigenverhoren hebben geen doorgang gevonden. Vervolgens heeft de raadsman tijdens het onderzoek ter terechtzitting van 14 september 2021 en bij pleidooi opnieuw verzocht [betrokkene 35] en [betrokkene 12] als getuige te horen. Dat verzoek is in het bestreden arrest afgewezen. Naar ik begrijp richt het middel zich tegen die afwijzing.
50. De verzoeken die de raadsman bij pleidooi heeft gedaan zijn verzoeken uit hoofde van art. 328 joPro. art. 331, eerste lid, Sv om toepassing te geven aan de bevoegdheid van art. 315, eerste lid, dan wel art. 316, eerste lid, Sv. Deze artikelen zijn in hoger beroep van toepassing ingevolge art. 415, eerste lid, Sv. Maatstaf is het noodzakelijkheidscriterium. Bij de getuige [betrokkene 35] heeft het hof overwogen dat het de tenlastelegging deels nietig zal verklaren en dat in verband daarmee redelijkerwijs valt aan te nemen dat de verdachte niet geschaad wordt in zijn verdediging door het niet horen van deze getuige. Bij beide getuigen heeft het hof overwogen dat niet aannemelijk is dat zij binnen een aanvaardbare termijn zullen kunnen worden gehoord. En bij de getuige [betrokkene 12] heeft het hof aanvullend overwogen dat de getuige geen enkele inhoudelijke verklaring heeft afgelegd, dat hij zich bij de rechter-commissaris op zijn verschoningsrecht heeft beroepen, en dat door de verdachte en zijn raadsman niet is ‘gespecificeerd, laat staan onderbouwd’, in hoeverre de getuige voor de verdachte ontlastend zou kunnen verklaren. En dat het hof ook overigens van oordeel is dat redelijkerwijs valt aan te nemen dat de verdachte niet geschaad wordt in zijn verdediging door het niet horen van deze getuige. In de vaststelling dat het verdedigingsbelang ontbreekt, ligt besloten dat het hof het verhoor niet noodzakelijk heeft kunnen oordelen. [20] Dat geldt ook voor de vaststelling dat het onaannemelijk is dat de getuige binnen een aanvaardbare termijn ter terechtzitting zal verschijnen. [21]
51. Tegen de afwijzing van het verzoek om [betrokkene 35] als getuige te horen op de grond dat de tenlastelegging deels nietig wordt verklaard en derhalve verdedigingsbelang ontbreekt, worden in cassatie geen klachten naar voren gebracht, anders dan dat het ‘verdedigingsbelang eerder door zowel hof als openbaar ministerie was onderkend’. Voor zover de klacht ervanuit gaat dat het hof bij de beoordeling van het getuigenverzoek gebonden was door de eerdere toewijzing, in die zin dat het verdedigingsbelang daardoor zou vaststaan, berust het middel evenwel op een onjuiste rechtsopvatting.
52. Daarmee faalt de klacht tegen de afwijzing van het verzoek tot het horen van [betrokkene 35] als getuige. Ik merk nog op dat de raadsman bij pleidooi in verband met zaaksdossier 17 opmerkt dat zich wreekt dat [betrokkene 35] niet als getuige is gehoord, maar niet aangeeft welke vragen hij dan aan [betrokkene 35] had willen stellen. In cassatie wordt hier ook niet op teruggekomen.
53. Dat niet aannemelijk is dat de getuige [betrokkene 12] binnen een aanvaardbare termijn zal kunnen worden gehoord, heeft het hof afgeleid uit (onder meer) een proces-verbaal van bevindingen van 7 september 2021 van de raadsheer-commissaris. Daarin is vermeld dat de getuigen blijkens de ID-staten SKDB woonachtig zouden zijn in het Verenigd Koninkrijk, dat er op 19 maart 2018 een EOB is verstuurd aan de Britse autoriteiten met het verzoek om deze getuigen via videoconferentie te kunnen horen, dat de Britse autoriteiten op 28 februari 2019 hebben aangegeven dat er een afspraak gemaakt kon worden voor de videoverhoren, dat er sindsdien regelmatig is geprobeerd om via e-mail of telefonisch een datum af te stemmen met de Britse autoriteiten, maar dat daar tot op heden geen reactie meer op is gekomen waardoor de verhoren van deze getuigen geen doorgang hebben kunnen vinden. Uit de zich in het dossier bevindende antwoorden van de raadsheer-commissaris op per e-mail van 20 september 2021 door de verdediging gestelde vragen, waar het hof eveneens naar verwijst, blijkt dat op 22 januari 2020, 24 november 2020 en 12 april 2021 is gerappelleerd naar de Britse autoriteiten en dat de raadsheer-commissaris aangeeft dat ook op of rond 31 januari 2020, 15 september 2020, 24 november 2020 en 4 februari 2021 zal zijn gerappelleerd maar dat daarover niets is vastgelegd.
54. De verdediging heeft bij pleidooi aangevoerd dat uit de door de raadsheer-commissaris verstrekte correspondentie naar voren komt dat niet de Nederlandse autoriteiten regelmatig zouden hebben geprobeerd een datum af te stemmen, maar dat het juist de Engelsen waren die keer op keer vroegen om met een voorstel voor een datum te komen. Uit de in het dossier aanwezige stukken kan inderdaad worden afgeleid dat door het Britse Home Office op 20 januari 2019, 9 maart 2019 en 11 mei 2019 e-mails zijn verzonden in verband met het EOB, laatstelijk met de vraag of het EOB nog uitgevoerd diende te worden. Nadat dit uiteindelijk bevestigd werd, zijn op 11 juni 2019 en 28 juli 2019 nog e-mails gestuurd met betrekking tot de praktische uitvoering van het EOB en het plannen van een Videolink.
55. Het hof heeft in zijn overwegingen onderkend dat er in 2019 ‘een periode van weinig activiteit’ is geweest, maar overwogen dat er daarna ‘voldoende pogingen (zijn) gedaan om gevolg te geven aan de opdracht van het hof’. Het hof baseert zich daarbij op het proces-verbaal van bevindingen van de raadsheer-commissaris en de antwoorden op de per e-mail gestelde vragen. Ik meen dat ‘s hofs oordeel dat het gelet op de aldus vastgestelde gang van zaken niet aannemelijk is dat de getuigen binnen een aanvaardbare termijn zullen kunnen worden gehoord, niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd is. [22] Het oordeel dat het niet aannemelijk is dat de getuige binnen een aanvaardbare termijn zal kunnen worden gehoord betreft een feitelijke inschatting die op de toekomst ziet.
56. Daarmee faalt de klacht tegen ’s hofs oordeel dat niet aannemelijk is dat de getuige binnen een aanvaardbare termijn zal kunnen worden gehoord. Ik merk nog op dat deze grond ook aan de afwijzing van het getuigenverzoek van [betrokkene 35] ten grondslag is gelegd en dat daar in cassatie geen klacht tegen is geformuleerd. Ten overvloede derhalve merk ik op dat de afwijzing van dat getuigenverzoek op deze grond evenmin onbegrijpelijk is.
57. Het hof heeft voorts overwogen dat [betrokkene 12] niet belastend heeft verklaard over de verdachte. En dat door de verdachte en zijn raadsman niet is ‘gespecificeerd, laat staan onderbouwd’, in hoeverre de getuige voor de verdachte ontlastend zou kunnen verklaren. Dat feitelijk oordeel is niet onbegrijpelijk. Inzake dit getuigenverzoek is in de appelschriftuur slechts aangevoerd dat de getuige eerder is opgeroepen door de rechter-commissaris maar toen inhoudelijk niet heeft willen verklaren, dat de verdediging hem andermaal wenst te confronteren met de onderzoeksgegevens uit zaaksdossier 17 en dat de verdediging wil weten waarvoor [betrokkene 12] is vervolgd, wat zijn proceshouding tijdens die vervolging is geweest en of hij in zijn eigen zaak verklaringen heeft afgelegd die relevant kunnen zijn voor de onderhavige zaak. Ook ten aanzien van deze getuige heeft de verdediging daar tijdens het onderzoek ter terechtzitting van 17 september 2021 en bij pleidooi slechts aan toegevoegd dat het belang van de verdediging al eerder was onderkend en nog steeds bestaat.
58. Gelet op een en ander is ’s hofs oordeel dat redelijkerwijs valt aan te nemen dat de verdachte niet geschaad wordt in zijn verdediging door het niet horen van [betrokkene 12] niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd. Daarmee falen de klachten tegen de beide gronden die ’s hofs afwijzing van dit getuigenverzoek zelfstandig dragen.
59. Het tweede middel faalt.
Bespreking van het derde middel
60. Het derde middel bevat de klacht dat het recht op behandeling van de zaak binnen een redelijke termijn in de cassatiefase is geschonden.
61. Namens de verdachte is op 1 november 2021 beroep in cassatie ingesteld. De stukken van het geding zijn op 22 mei 2023 op de griffie van de Hoge Raad ontvangen. Dat brengt mee dat de termijn van acht maanden met meer dan tien maanden is overschreden. Dat dient tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf leiden.
62. Het middel slaagt.
Afronding
63. De eerste twee middelen falen en kunnen met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende formulering worden afgedaan. Het derde middel slaagt. Ambtshalve merk ik op dat Uw Raad uitspraak zal doen nadat meer dan twee jaren sinds het instellen van cassatieberoep zijn verstreken. Ook dat dient tot strafvermindering te leiden. Voor het overige heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
64. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest, maar uitsluitend wat betreft de aan de verdachte opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan aan de hand van de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Voetnoten
1.Wet van 24 april 1985,
3.Wet van 7 juli 1994,
5.Zie over deze bepaling H.M.E. Laméris-Tebbenhoff Rijnenberg,
9.Vgl. over deze verplichting uit het overzichtsarrest ook het enkele maanden later gewezen HR 12 oktober 2010, ECLI:NL:HR:2010:BN4324.
10.Zie in verband met deze verplichting HR 3 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:562. Vgl. ook HR 29 maart 2022, ECLI:NL:HR:2022:465, waarin de dagvaarding blijkens de conclusie niet was betekend op het ‘asielzoekerscentrum in Rennes’ waar de verdachte bij een politieverhoor had verklaard te wonen, zonder opgave van adresgegevens. Vgl. voorts de conclusie voor HR 6 februari 2018, ECLI:NL:HR:2018:161, waarin de in het middel ‘vervatte bewering dat het openbaar ministerie bekend was met het (detentie)adres van de verdachte in het buitenland’ volgens A-G Hofstee niet nader was onderbouwd (randnummer 8). Uw Raad deed het middel in beide zaken af met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende formulering.
11.Zie ook HR 18 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:665, waarin de verdachte bij een verhoor had aangegeven dat hij ingeschreven stond op een door hem genoemd adres in Amerika, maar daar niet meer woonde omdat hij in Afghanistan werkte. En vgl. voorts HR 18 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:655, waarin – zo kan uit de conclusie van A-G Hofstee worden afgeleid – een adres in Zwitserland was opgegeven in een faxbericht van de verdachte naar de rechtbank Rotterdam waarin hij ‘bezwaar’ maakte tegen het vonnis.
12.In HR 13 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1072 had de verdachte, zo volgt uit de conclusie van A-G Harteveld, een BRP-adres. Daarom betrof het verzenden van een afschrift naar het van de verdachte bekende adres geen uitreiking in de zin van art. 588, tweede lid, Sv. In HR 19 oktober 2021, ECLI:NL:HR:2021:1565 verklaarde Uw Raad de betekening van de dagvaarding in hoger beroep nietig. Uit de stukken bleek niet dat de mededeling rechtstreeks of door tussenkomst van de bevoegde buitenlandse autoriteit was toegezonden naar de woon- of verblijfplaats van verdachte in Polen. Uit de conclusie van A-G Frielink volgt dat uit de stukken twee adressen naar voren kwamen; in het midden blijft naar welk adres de dagvaarding had moeten worden toegezonden. Nietigverklaring van de betekening van de appeldagvaarding volgde ook in HR 22 maart 2022, ECLI:NL:HR:2022:412,
13.Zie de Wet herziening tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen,
19.Het proces-verbaal van de terechtzitting vermeldt abusievelijk dat de terechtzitting heeft plaatsgevonden op 20 mei 2015.
20.Nu het een getuigenverzoek betreft dat aanvankelijk bij tijdig ingediende appelschriftuur is gedaan en vervolgens ter terechtzitting is herhaald en toegewezen, ligt het – meen ik - ook in de rede de weigeringsgronden van art. 288, eerste lid, Sv bij de toepassing van het noodzakelijkheidscriterium tot uitgangspunt te nemen.
22.Ik merk op dat in een proces-verbaal van de rechter-commissaris van 9 juli 2013 in eerste aanleg is vastgelegd dat de rechter-commissaris, onder meer gelet op de omstandigheid dat er meermalen geen reactie is ontvangen van contactpersonen bij de UK Central Authority, van mening is dat de getuigen [betrokkene 7] , [betrokkene 35] , [betrokkene 5] , [betrokkene 6] en [betrokkene 1] niet binnen een aanvaardbare termijn gehoord zullen kunnen worden.