ECLI:NL:HR:2010:BN4347

Hoge Raad

Datum uitspraak
12 oktober 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
09/02605
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 429 SvArt. 430 SvArt. 81 RO
Verwijzingen
7 uitgaand · 21 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling bewijsklacht en bewezenverklaring bij poging tot doodslag en medeplegen

In deze strafzaak stond de vraag centraal of de bewezenverklaring van het hof, waarin de verdachte werd veroordeeld voor medeplegen van poging tot doodslag, verenigbaar was met de vrijspraak voor het feit gepleegd met voorbedachten rade.

De verdachte was in hoger beroep veroordeeld door het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch, waarbij het hof oordeelde dat de verdachte zich tezamen en in vereniging met anderen had schuldig gemaakt aan poging tot doodslag. Het hof sprak de verdachte echter vrij van het feit dat met voorbedachten rade zou zijn gepleegd, omdat niet kon worden uitgesloten dat het schieten pas in een opwelling had plaatsgevonden.

Het cassatieberoep richtte zich onder meer tegen deze motivering, waarbij werd betoogd dat de bewezenverklaring voor medeplegen onverenigbaar zou zijn met de vrijspraak voor voorbedachten rade. De Hoge Raad verwierp dit middel en stelde dat deze combinatie niet onverenigbaar is, omdat medeplegen ook kan bestaan zonder dat het feit met voorbedachten rade is gepleegd.

De Hoge Raad wees tevens op het feit dat het beroep niet werd belemmerd door het cassatieverbod voor vrijspraken van cumulatief tenlastegelegde feiten, aangezien hier sprake was van een gedeeltelijke vrijspraak en een veroordeling voor een subsidiair tenlastegelegd feit. Het overige cassatiemiddelen werden eveneens verworpen zonder nadere motivering.

De Hoge Raad bevestigde daarmee het arrest van het hof en verwierp het cassatieberoep van de verdachte.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het arrest van het hof wordt bekrachtigd waarbij de verdachte wordt veroordeeld voor medeplegen van poging tot doodslag.

Uitspraak

12 oktober 2010
Strafkamer
nr. 09/02605
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 29 juni 2009, nummer 20/003716-08, in de strafzaak tegen:
[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1963, ten tijde van de betekening van de aanzegging gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting "Limburg-Zuid, locatie De Geerhorst" te Sittard.
1. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben mr. S.T. van Berge Henegouwen en mr. S.M. Kurvers, beiden advocaat te Maastricht, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Knigge heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
2. Beoordeling van het eerste middel
2.1. Het middel klaagt over de bewezenverklaring.
2.2. Het Hof heeft ten laste van de verdachte bewezenverklaard hetgeen in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 4 is weergegeven. Het heeft deze bewezenverklaring doen steunen op de bewijsmotivering die in de conclusie onder 5 is weergegeven.
2.3. Het middel beoogt kennelijk onder meer te klagen dat de motivering van de bewezenverklaring, voor zover inhoudende dat de verdachte zich "tezamen en in vereniging met anderen" heeft schuldig gemaakt aan de daarin omschreven poging tot doodslag, onverenigbaar is met de motivering van de vrijspraak van de eveneens tenlastegelegde omstandigheid dat het feit "met voorbedachten rade" is gepleegd. Die klacht faalt omdat de enkele omstandigheid dat het Hof niet bewezen heeft geoordeeld dat het schieten met voorbedachten rade is geschied, op de grond dat "niet ondenkbaar" is dat "pas in de loop van het gevecht (...) in een opwelling is besloten met het pistool te schieten", niet onverenigbaar is met het in de bestreden uitspraak besloten liggende oordeel dat de verdachte zo nauw en bewust heeft samengewerkt met zijn mededaders dat sprake is van het in de bewezenverklaring omschreven medeplegen van het feit.
2.4. De Hoge Raad merkt op dat de klacht niet afstuit op de in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 8 vermelde omstandigheid dat die vrijspraak niet aan het oordeel van de Hoge Raad is onderworpen. In de onderhavige zaak gaat het om een (partiële) vrijspraak van het primair tenlastegelegde en een veroordeling ter zake het subsidiair tenlastegelegde, welke vrijspraak blijkens de cassatie-akte niet op de voet van art. 429 Sv Pro is uitgezonderd van het onbeperkt ingestelde beroep. Anders dan in de zaken die hebben geleid tot de in de conclusie onder 8 bedoelde arresten, is hier derhalve geen sprake van een vrijspraak van een cumulatief tenlastegelegd feit. Hier doet zich niet voor een geval waarin de Hoge Raad sedert de inwerkingtreding op 1 januari 2003 van de Wet van 31 oktober 2001, Stb. 539, waarbij het in art. 430 Sv Pro neergelegde cassatieverbod inzake vrijspraken vervallen is verklaard, het door de verdachte zonder enige beperking ingestelde beroep pleegt op te vatten als niet te zijn gericht tegen de vrijspraak van het cumulatief tenlastegelegde feit.
3. Beoordeling van de middelen voor het overige
Ook voor het overige kunnen de middelen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO Pro, geen nadere motivering nu de middelen in zoverre niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren J.W. Ilsink, J. de Hullu, W.F. Groos en M.A. Loth, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker , en uitgesproken op 12 oktober 2010.