ECLI:NL:HR:2010:BN7068

Hoge Raad

Datum uitspraak
5 november 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
09/00158
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 RO
Verwijzingen
3 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling bewijswaardering in verzetprocedure over hoofdverblijf recreatiewoning

In deze zaak stond centraal of eiser gedurende bepaalde periodes zijn hoofdverblijf had in een recreatiewoning. De feitenrechter had dit beoordeeld in een verzetprocedure tegen een bestuurlijke dwangsombeschikking van de gemeente Harderwijk.

Eiser stelde cassatieberoep in tegen de arresten van het gerechtshof Arnhem, dat het verzet ongegrond verklaarde. De gemeente stelde voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep in. De Hoge Raad verwees voor het geding in feitelijke instanties naar de vonnissen van de rechtbank Zutphen en de arresten van het hof Arnhem.

De Hoge Raad oordeelde dat de klachten van eiser niet tot cassatie konden leiden en dat de wijze van bewijswaardering door de feitenrechter niet onjuist was toegepast. De conclusie van de Advocaat-Generaal tot verwerping van het cassatieberoep werd gevolgd. Het voorwaardelijk incidentele beroep van de gemeente kwam niet aan de orde.

De Hoge Raad wees het cassatieberoep af en veroordeelde eiser in de kosten van het cassatiegeding. Het arrest werd gewezen door de raadsheren Van Buchem-Spapens, Van Oven, Van Schendel en uitgesproken door Numann op 5 november 2010.

Uitkomst: Het cassatieberoep van eiser wordt verworpen en het oordeel van het hof bevestigd.

Uitspraak

5 november 2010
Eerste Kamer
09/00158
EV/IF
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[Eiser],
wonende te [woonplaats],
EISER tot cassatie, verweerder in het voorwaardelijk incidentele cassatieberoep,
advocaat: mr. P.S. Kamminga,
t e g e n
DE GEMEENTE HARDERWIJK,
zetelende te Harderwijk,
VERWEERSTER in cassatie, eiseres in het voorwaardelijk incidentele cassatieberoep,
advocaat: mr. J.W.H. van Wijk.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [eiser] en de Gemeente.
1. Het geding in feitelijke instanties
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
a. de vonnissen in de zaak 70028/HA ZA 05-548 van de rechtbank Zutphen van 26 april 2006 en 18 oktober 2006;
b. de arresten in de zaak 104.003.502 rolnummer 2007/467 van het gerechtshof te Arnhem van 18 december 2007 en 7 oktober 2008.
De arresten van het hof zijn aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen de arresten van het hof heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De Gemeente heeft voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep ingesteld. De cassatiedagvaarding en de conclusie van antwoord tevens houdende incidenteel cassatieberoep zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.
Partijen hebben over en weer geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten, voor de Gemeente mede door mr. E.C.M. Hurkens, advocaat bij de Hoge Raad.
De conclusie van de Advocaat-Generaal J.L.R.A. Huydecoper strekt in het principale cassatieberoep tot verwerping.
De advocaat van [eiser] heeft bij brief van 22 september 2010 op die conclusie gereageerd.
3. Beoordeling van het middel in het principale beroep
De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO Pro, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
Nu het middel in het principale beroep faalt, komt het voorwaardelijk ingestelde incidentele beroep niet aan de orde.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
verwerpt het principale beroep;
veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van de Gemeente begroot op € 374,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, J.C. van Oven en W.A.M. van Schendel, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer E.J. Numann op 5 november 2010.