ECLI:NL:HR:2010:BN7753

Hoge Raad

Datum uitspraak
14 december 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
09/04408
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 411 Sv
Verwijzingen
4 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevoegdheid enkelvoudige kamer bij gevangenisstraf boven zes maanden in eerste aanleg

In deze zaak stond de vraag centraal of de enkelvoudige kamer van het gerechtshof bevoegd is om een zaak te behandelen wanneer in eerste aanleg door de kantonrechter of politierechter een gevangenisstraf van meer dan zes maanden is opgelegd. De verdachte was in eerste aanleg veroordeeld tot een gevangenisstraf van acht maanden, waarvan twee maanden voorwaardelijk.

De enkelvoudige kamer van het hof verklaarde zich onbevoegd omdat de straf hoger was dan zes maanden, en verwees de zaak naar de meervoudige kamer. De verdachte stelde in cassatie dat de enkelvoudige kamer wel bevoegd was en dat zij de zaak niet had mogen verwijzen.

De Hoge Raad oordeelde dat de enkelvoudige kamer inderdaad niet bevoegd is indien de in art. 411 lid 2 sub b Sv Pro gestelde voorwaarde niet is vervuld, en dat zij de zaak moet verwijzen naar de meervoudige kamer. Omdat vernietiging van de bestreden uitspraak hetzelfde gevolg zou hebben, mist de verdachte belang bij cassatie en wordt hij niet-ontvankelijk verklaard.

De Hoge Raad beantwoordde de rechtsvraag bevestigend dat de zinsnede "ongeschikt voor behandeling en beslissing door de enkelvoudige kamer" in art. 411 lid 3 Sv Pro ook het geval omvat dat in eerste aanleg een gevangenisstraf van meer dan zes maanden is opgelegd.

Het arrest werd gewezen door de vice-president Koster en raadsheren de Savornin Lohman en Sterk op 14 december 2010.

Uitkomst: Verdachte wordt niet-ontvankelijk verklaard in cassatie; enkelvoudige kamer moet zaak met gevangenisstraf boven zes maanden verwijzen naar meervoudige kamer.

Uitspraak

14 december 2010
Strafkamer
Nr. 09/04408
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een bij verstek gewezen arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 16 oktober 2009, nummer 23/003596-08, in de strafzaak tegen:
[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1968, ten tijde van de betekening van de aanzegging uit anderen hoofde gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting "Amsterdam, locatie Havenstraat" te Amsterdam.
1. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. B.P. de Boer, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Knigge heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
2. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het cassatieberoep
2.1. Het middel klaagt dat de enkelvoudige kamer van het Hof zich ten onrechte onbevoegd heeft verklaard en dat zij de zaak had moeten verwijzen naar de meervoudige kamer.
2.2. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep houdt het volgende in:
"De raadsheer deelt voorts mee dat het vonnis waarvan beroep een veroordeling betreft van de politierechter tot een gevangenisstraf van 8 maanden, waarvan 2 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar. De advocaat-generaal stelt zich op het standpunt dat de zaak ten onrechte is aangebracht bij de enkelvoudige kamer in hoger beroep, nu de combinatie van de enkelvoudige kamer ingevolge artikel 411 lid 2 sub b is Pro beperkt tot vonnissen, waarbij de politierechter een gevangenisstraf van niet meer dan 6 maanden heeft opgelegd. De raadsheer verklaart het onderzoek gesloten en deelt mee terstond mondeling arrest te zullen wijzen.
De raadsheer spreekt het arrest uit ter openbare terechtzitting.
Aantekening van het mondeling arrest
Bevoegdheid enkelvoudige kamer
Het hof, enkelvoudige kamer:
Verklaart zich onbevoegd tot kennisneming van het tenlastegelegde, op de grond dat in eerste aanleg
8 maanden gevangenisstraf, waarvan 2 maanden voorwaardelijk is opgelegd."
2.3. Art. 411 Sv Pro luidt:
"1. Bij het gerechtshof worden strafzaken, behoudens in de wet genoemde uitzonderingen, behandeld en beslist door een meervoudige kamer.
2. Een zaak kan in hoger beroep door een enkelvoudige kamer worden behandeld, indien:
a. de zaak naar het aanvankelijk oordeel van het openbaar ministerie van eenvoudige aard is en de verdachte ter zake van hetgeen in eerste aanleg te zijnen laste is bewezen verklaard, een straf of maatregel is opgelegd, en tevens
b. de zaak in eerste aanleg door de kantonrechter of de politierechter is behandeld, en daarbij niet een gevangenisstraf van meer dan zes maanden is opgelegd.
3. Indien de zaak naar het oordeel van de enkelvoudige kamer ongeschikt is voor behandeling en beslissing door de enkelvoudige kamer, verwijst zij deze naar de meervoudige kamer.
(...)"
2.4. Een uitspraak van de enkelvoudige kamer van een gerechtshof als de onderhavige heeft tot gevolg dat de zaak bij de meervoudige kamer van het hof wordt aangebracht. De met het middel beoogde vernietiging van de bestreden uitspraak door de Hoge Raad zou tot hetzelfde gevolg leiden. Dat brengt mee dat de verdachte bij het cassatieberoep belang mist en hij daarin niet-ontvankelijk moet worden verklaard.
2.5. Niettemin vindt de Hoge Raad aanleiding de in het middel opgeworpen rechtsvraag te bespreken. Het middel stelt de vraag aan de orde of de zinsnede "ongeschikt voor behandeling en beslissing door de enkelvoudige kamer" in het derde lid van art. 411 Sv Pro mede omvat het geval dat een zaak in eerste aanleg door de kantonrechter of de politierechter is behandeld en daarbij een gevangenisstraf van meer dan zes maanden is opgelegd. Noch aan de tekst van die bepaling noch aan haar totstandkomingsgeschiedenis valt een ondubbelzinnig antwoord op die vraag te ontlenen. In het belang dat is gemoeid met een doelmatige en eenduidige procesvoering vindt de Hoge Raad grond die in het middel aan de orde gestelde vraag bevestigend te beantwoorden. Ingeval aan de in art. 411, tweede lid onder b, Sv gestelde voorwaarde voor behandeling van een zaak door de enkelvoudige kamer niet is voldaan, zal die kamer de zaak dus dienen te verwijzen naar de meervoudige kamer.
3. Beslissing
De Hoge Raad verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren B.C. de Savornin Lohman en C.H.W.M. Sterk, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken op 14 december 2010.