ECLI:NL:HR:2010:BN8056

Hoge Raad

Datum uitspraak
5 november 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
09/03912
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 285 lid 1 onder f FaillissementswetArt. 287a FaillissementswetArt. 288 lid 2 FaillissementswetArt. 48 lid 1 onder c Wet op het consumentenkrediet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toelaatbaarheid advocaatverklaring bij schuldsaneringsregeling volgens art. 285 lid 1 onder f Faillissementswet

In deze zaak stond centraal of een verklaring, vereist bij een verzoek tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling (WSNP) op grond van art. 285 lid 1 onder Pro f Faillissementswet, ook door een advocaat mag worden afgegeven. Verzoekers hadden een verklaring van een advocaat overgelegd, maar de rechtbank en het hof verklaarden hun verzoek niet-ontvankelijk omdat de verklaring niet voldeed aan de wettelijke eisen, aangezien de advocaat niet gemandateerd was door het college van burgemeester en wethouders.

De Hoge Raad heeft overwogen dat hoewel de wet oorspronkelijk alleen het college van burgemeester en wethouders of hun gemandateerde gemeentelijke kredietbanken bevoegd achtte tot het afgeven van deze verklaring, een amendement de mogelijkheid opende dat ook andere personen, waaronder advocaten als bedoeld in art. 48 lid 1 onder Pro c Wet op het consumentenkrediet (Wck), deze verklaring kunnen afgeven. Dit amendement was ingegeven door de wens om bonafide private schuldhulpverleners, zoals advocaten, ook toe te laten.

De Hoge Raad concludeert dat het onderscheid in bevoegdheid tussen advocaten en andere schuldhulpverleners niet houdbaar is en dat een redelijke wetstoepassing vereist dat advocaten ook bevoegd zijn de verklaring af te geven. Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt verwezen naar het gerechtshof te 's-Gravenhage voor verdere behandeling.

Uitkomst: De Hoge Raad oordeelt dat advocaten bevoegd zijn om de verklaring als bedoeld in art. 285 lid 1 onder f Faillissementswet af te geven en vernietigt het arrest van het hof Arnhem.

Uitspraak

5 november 2010
Eerste Kamer
09/03912
RM/AS
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
1. [Verzoeker 1],
2. [Verzoekster 2],
beiden wonende te [woonplaats],
VERZOEKERS tot cassatie,
advocaat: mr. P. Garretsen.
Verzoekers tot cassatie zullen hierna ook worden aangeduid als [verzoeker] c.s.
1. Het geding in feitelijke instanties
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
a. het vonnis in de zaak 188627/FT-RK 09.894 en 188629/FT-RK 09.895 van de rechtbank Arnhem van 10 augustus 2009,
b. het vonnis in de zaak 188631/FT-RK 09.897 en 188633/FT-RK 09.898 van de rechtbank Arnhem van 10 augustus 2009,
c. het arrest in de zaak met zaaknummers 200.040.292 en 200.042.468 van het gerechtshof te Arnhem van 21 september 2009.
Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het arrest van het hof hebben [verzoeker] c.s. beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De conclusie van de Advocaat-Generaal J. Wuisman strekt tot vernietiging van het bestreden arrest.
3. Beoordeling van het middel
3.1 [Verzoeker] c.s. hebben bij de rechtbank verzoekschriften ingediend, respectievelijk op de voet van art. 284 F. tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling en van art. 287a F. tot het geven van een bevel in te stemmen met een dwangakkoord. Bij deze verzoekschriften was een verklaring gevoegd als bedoeld in art. 285 lid Pro 1, onder f, F., afgegeven door een advocaat.
De rechtbank heeft [verzoeker] c.s. niet-ontvankelijk verklaard in hun verzoek op de grond dat, voor zover in cassatie van belang, de bijgevoegde verklaring niet voldeed aan de eisen van art. 285 lid Pro 1, onder f, omdat deze was afgegeven door een advocaat.
Het beroep van [verzoeker] c.s. hiertegen is door het hof verworpen. Hiertoe heeft het hof onder meer het volgende overwogen. De verklaring als bedoeld in art. 285 lid Pro 1, onder f, is afgegeven door een advocaat die wel het voorafgaande schuldregelingstraject heeft verzorgd maar van wie niet is gebleken dat hij, zoals de wet eist, krachtens een mandaat van het college van burgemeester en wethouders was gemachtigd tot het afgeven van de verklaring. De stelling van [verzoeker] c.s. dat de wettelijke regeling inzake de afgifte van de verklaring leidt tot een monopoliepositie van de gemeentelijke kredietbanken en tot onwenselijke gevolgen (zoals lange wachttijden voor het verkrijgen van de medewerking voor de afgifte van de bij het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling te voegen verklaring), kan niet rechtvaardigen dat de rechter een uit een recent herziene wettelijke regeling voortvloeiend vereiste terzijde stelt. (rov. 3.3.)
3.2 Het middel klaagt over het oordeel van het hof dat de meerbedoelde verklaring niet voldoet aan de eisen van art. 285 lid Pro 1, onder f, nu deze is afgegeven door een advocaat die weliswaar tot het afgeven van de verklaring door het college van burgemeester en wethouders van de woon- of verblijfplaats van de schuldenaar niet is gemandateerd maar die wel bevoegd is - ingevolge art. 48 lid 1 Wet Pro op het consumentenkrediet (Wck) - de schuldenaar bijstand te verlenen bij het treffen van een schuldregeling buiten rechte en voor de schuldenaar op de voet van art. 287a F. een verzoek in te dienen tot verlening van een bevel tot instemming met een aangeboden schuldregeling.
3.3.1 Zoals blijkt uit de totstandkomingsgeschiedenis van art. 285 lid Pro 1, onder f, als weergegeven in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 2.3, heeft de wetgever het van belang geacht (i) dat voorafgaande aan de wettelijke schuldsanering eerst een buitengerechtelijke schuldregeling wordt beproefd, (ii) dat bij een daarop volgend verzoek tot schuldsanering en/of tot een bevel als bedoeld in art. 287a, een verklaring wordt overgelegd als omschreven in art. 285 lid Pro 1, onder f, en (iii) dat deze verklaring een betrouwbaar kompas vormt voor de rechter bij de beoordeling of in voldoende mate een minnelijke regeling is beproefd. Voorts blijkt dat volgens de oorspronkelijke tekst slechts het college van burgemeester en wethouders (hierna: B&W), dan wel, krachtens mandaat, de gemeentelijke kredietbanken bevoegd waren de verklaring af te geven, doch dat ingevolge een amendement de in de uiteindelijke wettekst opgenomen mogelijkheid is geopend dat de verklaring ook wordt afgegeven door krachtens art. 48 lid Pro 1, onder d, Wck aangewezen (rechts-)personen, dan wel categorieën daarvan. Dat amendement was ingegeven door de wens "dat bonafide private schuldhulpverleners, die immers grote ervaring hebben op het terrein van de schuldhulpverlening, ook een verklaring als bedoeld in artikel 285, eerste lid, onderdeel e [thans: f] van de Faillissementswet, kunnen afgeven".
3.3.2 Mede in aanmerking genomen dat een verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling wordt afgewezen indien de poging tot een buitengerechtelijke schuldregeling niet is uitgevoerd door een persoon of instelling als bedoeld in art. 48 lid 1 Wck Pro (art. 288 lid Pro 2, aanhef en onder b, F.), is aldus een systeem ontstaan waarin de personen, bedoeld in art. 48 lid Pro 1, onder c, Wck, onder wie advocaten, wel uit hoofde van hun beroep of aanstelling bevoegd zijn zich op professionele wijze bezig te houden met schuldbemiddeling, en daartoe dus bekwaam worden geacht, maar niet bevoegd zijn een verklaring af te geven als hier in het geding, ook niet krachtens mandatering door B&W, terwijl mandatering wel mogelijk is ten aanzien van de personen en instellingen, bedoeld in art. 48 lid Pro 1, onder d, Wck, voor zover zij in een algemene maatregel van bestuur als aldaar voorzien, zijn aangewezen, welke aanwijzing dan heeft plaatsgevonden omdat zij bekwaam worden geacht zich met schuldbemiddeling te belasten.
3.3.3 Voor dit onderscheid bestaat geen goede grond. Een redelijke wetstoepassing brengt daarom mee dat aanvaard wordt dat de verklaring als bedoeld in art. 285 lid Pro 1, onder f, ook kan worden afgegeven door de personen, bedoeld in art. 48 lid Pro 1, onder c, Wck.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
vernietigt het arrest van het gerechtshof te Arnhem van 21 september 2009;
verwijst het geding naar het gerechtshof te 's-Gravenhage ter verdere behandeling en beslissing.
Dit arrest is gewezen door de vice-president D.H. Beukenhorst als voorzitter en de raadsheren E.J. Numann, A. Hammerstein, F.B. Bakels en C.E. Drion, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer E.J. Numann op 5 november 2010.