ECLI:NL:HR:2010:BO0091
Hoge Raad
- Cassatie
- F.H. Koster
- H.A.G. Splinter-van Kan
- M.A. Loth
- Rechtspraak.nl
Vermindering gevangenisstraf wegens overschrijding redelijke termijn in cassatie
De Hoge Raad behandelde het cassatieberoep van verdachte tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage. Het geschil betrof onder meer de duur van de opgelegde gevangenisstraf en de overschrijding van de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM.
De Hoge Raad oordeelde dat de stukken te laat door het hof waren ingezonden en dat meer dan zestien maanden waren verstreken sinds het instellen van het cassatieberoep, terwijl verdachte in voorlopige hechtenis verbleef. Dit leidde tot de conclusie dat de redelijke termijn was overschreden.
Als gevolg hiervan werd de opgelegde gevangenisstraf verminderd van twaalf jaar naar elf jaar en zes maanden. Voor het overige werd het beroep verworpen en bleef de rest van het arrest in stand.
De beslissing werd genomen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter en de raadsheren H.A.G. Splinter-van Kan en M.A. Loth, en uitgesproken op 7 december 2010.
Uitkomst: Gevangenisstraf verminderd tot elf jaar en zes maanden wegens overschrijding redelijke termijn in cassatiefase.