ECLI:NL:HR:2011:BL7975

Hoge Raad

Datum uitspraak
4 februari 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
09/02234
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • D.G. van Vliet
  • P. Lourens
  • A.R. Leemreis
  • E.N. Punt
  • J.A.C.A. Overgaauw
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 66 lid 3 Wet op de accijnsArt. 71d Wet op de accijns
Verwijzingen
6 uitgaand · 3 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad vernietigt uitspraak over teruggaaf accijns bij verhuur vliegtuig en plezierluchtvaartuigdefinitie

Belanghebbende, eigenaar van een Piper PA-28R-201T, verhuurde het vliegtuig tussen 1 januari 2003 en 3 december 2004 tegen betaling inclusief brandstofkosten. Zij vroeg achtmaal teruggaaf van accijns aan voor de tijdens verhuur verbruikte minerale oliën. De inspecteur verleende teruggaaf, maar na onderzoek legde hij naheffingsaanslagen en boetes op.

De Rechtbank Den Haag vernietigde de aanslag en boete, en het Hof bevestigde dit oordeel. De Staatssecretaris stelde cassatieberoep in tegen het arrest van het Hof. De Hoge Raad oordeelde dat het Hof onjuist had geoordeeld over de definitie van plezierluchtvaartuig in artikel 66, lid 3, van de Wet op de accijns. Volgens de Hoge Raad is het relevant welk gebruik de huurders van het vliegtuig maken, niet alleen dat van de eigenaar.

De Hoge Raad verklaarde het cassatieberoep gegrond, vernietigde het arrest van het Hof en verwees de zaak naar het Gerechtshof Amsterdam voor verdere behandeling met inachtneming van dit arrest. De Hoge Raad wees proceskostenveroordeling af en liet de vergoeding van kosten voor het Hof over aan het verwijzingshof.

Uitkomst: Het beroep in cassatie is gegrond verklaard, het arrest van het Hof vernietigd en de zaak verwezen naar het Gerechtshof Amsterdam.

Uitspraak

nr. 09/02234
4 februari 2011
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 1 mei 2009, nr. BK-08/00096, betreffende een aan X B.V. te Z (hierna: belanghebbende) opgelegde naheffingsaanslag in de accijns en de daarbij gegeven boetebeschikking.
1. Het geding in feitelijke instanties
Aan belanghebbende is een naheffingsaanslag in de accijns opgelegd, alsmede een boete. Na daartegen gemaakt bezwaar zijn bij in één geschrift vervatte uitspraken van de Inspecteur de naheffingsaanslag en de boete gehandhaafd.
De Rechtbank te 's-Gravenhage (nr. AWB 06/10166) heeft het tegen die uitspraken ingestelde beroep gegrond verklaard, de uitspraken op bezwaar vernietigd, en de naheffingsaanslag alsmede de boetebeschikking vernietigd.
De Inspecteur heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof.
Het Hof heeft de uitspraak van de Rechtbank bevestigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie
De Staatssecretaris heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.
De Advocaat-Generaal M.E. van Hilten heeft op 2 maart 2010 geconcludeerd tot gegrondverklaring van het beroep in cassatie, alsmede tot het door de Hoge Raad zelf afdoen van de zaak.
Belanghebbende heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.
3. Beoordeling van het middel
3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
3.1.1. Belanghebbende is eigenaresse van een vliegtuig van het type Piper PA-28R-201T (hierna: het vliegtuig). Zij heeft in de periode van 1 januari 2003 tot en met 3 december 2004 het vliegtuig verhuurd aan derden tegen een prijs naar rato van de gedurende de huurperiode feitelijk gevlogen tijd. De kosten van brandstof, verbruikt tijdens de verhuur van het vliegtuig, waren in de huurprijs inbegrepen. Ter zake van de verhuur reikte belanghebbende facturen uit aan haar afnemers.
3.1.2. Belanghebbende heeft acht maal een verzoek gedaan om teruggaaf van accijns voor brandstof die gedurende de hiervoor in 3.1.1 vermelde periode tijdens de verhuur van het vliegtuig werd verbruikt, op de grond dat de minerale oliën zijn afgeleverd in de brandstoftanks van en zijn gebruikt voor de voortstuwing van luchtvaartuigen, andere dan plezierluchtvaartuigen.
De Inspecteur heeft op de voet van artikel 71d, lid 1, van de Wet op de accijns (tekst 2003 en 2004; hierna: de Wet) telkens teruggaaf van accijns verleend.
Naar aanleiding van een bij belanghebbende ingesteld onderzoek naar de juistheid van de verleende teruggaven heeft de Inspecteur bij de onderhavige aanslag de teruggegeven bedragen aan accijns nageheven.
3.2. Het Hof heeft geoordeeld dat indien een vliegtuig door de eigenaar daarvan voor commerciële doeleinden wordt gebruikt, geen sprake is van een plezierluchtvaartuig in de zin van artikel 66, lid 3, van de Wet. Omdat voor het Hof tussen partijen vaststond dat belanghebbende het vliegtuig op commerciële basis verhuurde, was te deze sprake van gebruik door de eigenaar voor commerciële doeleinden en was het vliegtuig mitsdien niet te duiden als plezierluchtvaartuig, aldus het Hof.
3.3. Het middel verzet zich tegen dit oordeel met het betoog dat het getuigt van een onjuiste rechtsopvatting. Het middel verwijst daarbij naar het arrest van de Hoge Raad van 24 juni 2005, nr. 41009, LJN AT8190, BNB 2005/323.
Het middel treft doel. Anders dan het Hof heeft overwogen, houdt de definitie van plezierluchtvaartuig in artikel 66, lid 3, van de Wet niet in dat geen sprake is van een plezierluchtvaartuig indien de eigenaar daarvan het vliegtuig voor commerciële doeleinden gebruikt. Volgens die definitie is immers sprake van een plezierluchtvaartuig indien of de eigenaar of (bijvoorbeeld) de huurder het vliegtuig voor andere dan commerciële doeleinden gebruikt. Derhalve was in de gegeven omstandigheden voor de aanspraak op teruggaaf van accijns van belang welk gebruik de huurders van het vliegtuig maakten.
3.4. Gelet op het hiervoor in 3.3 overwogene kan 's Hofs uitspraak niet in stand blijven. Verwijzing moet volgen.
4. Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
Door het verwijzingshof zal worden beoordeeld of aan belanghebbende voor de kosten van het geding voor het Hof een vergoeding dient te worden toegekend.
5. Beslissing
De Hoge Raad:
verklaart het beroep in cassatie gegrond,
vernietigt de uitspraak van het Hof, en
verwijst het geding naar het Gerechtshof teAmsterdam ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest.
Dit arrest is gewezen door de vice-president D.G. van Vliet als voorzitter, en de raadsheren P. Lourens, A.R. Leemreis, E.N. Punt en J.A.C.A. Overgaauw, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaaruitgesproken op 4 februari 2011.