ECLI:NL:HR:2011:BN9972
Hoge Raad
- Cassatie
- D.H. Beukenhorst
- J.C. van Oven
- F.B. Bakels
- C.A. Streefkerk
- C.E. Drion
- E.J. Numann
- Rechtspraak.nl
Aansprakelijkheid assurantiekantoor voor fraude hypotheekadviseur op grond van kwalitatieve aansprakelijkheid en schijn van volmacht
In deze zaak stond de vraag centraal of een assurantiekantoor aansprakelijk kon worden gehouden voor de fraude van een hypotheekadviseur die niet bevoegd was het kantoor te vertegenwoordigen. De hypotheekadviseur had een bedrag van €40.000,- van de cliënt ontvangen en dit bedrag onttrokken voor eigen gebruik. De cliënt had gehandeld in de veronderstelling dat de adviseur namens het assurantiekantoor optrad.
De rechtbank en het hof oordeelden dat het assurantiekantoor aansprakelijk was op grond van art. 6:172 BW Pro, ondanks het ontbreken van een geldige volmacht, omdat de cliënt redelijkerwijs mocht aannemen dat de adviseur vertegenwoordigingsbevoegd was. De Hoge Raad bevestigde dat de kwalitatieve aansprakelijkheid op grond van art. 6:172 BW Pro restrictief moet worden uitgelegd en beperkt is tot gedragingen die zijn verricht ter uitoefening van de bevoegdheden die de vertegenwoordiger als zodanig toekomen.
De Hoge Raad oordeelde echter dat de aansprakelijkheid ook kan ontstaan op grond van art. 3:61 lid 2 BW Pro, wanneer de derde gerechtvaardigd heeft vertrouwd op een toereikende volmacht op basis van feiten en omstandigheden die voor risico van de onbevoegd vertegenwoordigde partij komen. In dit geval was het hof terecht tot het oordeel gekomen dat de cliënt op grond van de omstandigheden, waaronder het gebruik van briefpapier en de wijze van introductie, gerechtvaardigd mocht vertrouwen dat de adviseur bevoegd was. Het beroep van de eiser werd verworpen en het arrest van het hof bevestigd.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde dat het assurantiekantoor aansprakelijk is voor de schade door de fraude van de hypotheekadviseur op grond van art. 3:61 lid 2 BW.